Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2155

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
13-1743 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Geen melding van kasstortingen. Recht op bijstand is wél vast te stellen. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit met betrekking tot de herziening en de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1743 WWB

Datum uitspraak: 24 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

20 februari 2013, 12/937 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hattem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Namens appellant zijn

mr. E. Schriemer, advocaat en opvolger van mr. Nijk, en de zoon van appellant, [zoon appellant], verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.J. Bijsterbosch.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 5 maart 2010 tot en met 31 juli 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

In het kader van een heronderzoek in mei 2011 naar de verleende bijstand heeft appellant bankafschriften verstrekt waarop geldtransacties stonden vermeld, die vragen opriepen. Naar aanleiding hiervan heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. (sociale recherche) onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, aan appellant schriftelijke vragen gesteld en de door appellant overgelegde bankafschriften over de periode van 1 maart 2010 tot en met 6 juli 2011 onderzocht. In september 2011 heeft D. Bultman-Nijeboer, consulente bij de afdeling sociale zaken van de gemeente Hattem (consulente), een gesprek met appellant gevoerd onder meer over de vastgestelde kasstortingen en de herkomst daarvan. De bevindingen van de consulente zijn neergelegd in een Rapportage Heronderzoek van

22 september 2011.

1.3.

Voor het college zijn de onderzoeksbevindingen aanleiding geweest om bij besluit van

30 november 2011 de bijstand van appellant over de periode van 16 maart 2010 tot en met

31 juli 2011 te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.616,27 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat niet duidelijk is hoeveel tijd appellant in het buitenland verbleef en dat appellant geen bewijsstukken van de kasstortingen en de buitenlandse transacties heeft overgelegd. De bevindingen van de sociale recherche zijn vervolgens neergelegd in een rapport van 9 februari 2012.

1.4.

Bij besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2011 ongegrond verklaard. Aan de handhaving van de intrekking van de bijstand over de onder 1.3 genoemde periode heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de kasstortingen op zijn bankrekening. Omdat de herkomst van deze stortingen onduidelijk is gebleven, heeft appellant een zodanige onduidelijke situatie geschapen over zijn financiële situatie dat als gevolg van die schending niet kan worden vastgesteld of gedurende de gehele in geding zijnde periode recht op bijstand bestaat.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 16 maart 2010 tot en met 31 juli 2011. In deze periode zijn, met uitzondering van de maanden april, mei en oktober 2010 en

mei 2011, regelmatig kasstortingen van bedragen variërend van € 20,- tot € 1.500,- gedaan op de bankrekening van appellant.

4.2.

Tussen partijen is, gelet op het verhandelde ter zitting, niet meer in geding dat appellant geen melding heeft gedaan van deze kasstortingen en daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Evenmin is in geschil dat de op de bankrekening door kasstortingen bijgeschreven bedragen tot de middelen van appellant in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB dienen te worden gerekend. Alleen in geschil is of ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

4.3.

Indien ondanks schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandsverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. Er is dan geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Hoewel de herkomst van de kasstortingen op de bankrekening niet kan worden vastgesteld omdat appellant hierover geen concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd, kan, anders dan het college betoogt, wel worden vastgesteld of de kasstortingen als inkomen dan wel als vermogen dienen te worden aangemerkt. Middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud en worden aangemerkt als inkomen. Gelet op de omstandigheid dat regelmatig op de bankrekening van appellant kasstortingen zijn gedaan en gelet op de hoogte van de bedragen, moeten deze in dit geval worden aangemerkt als inkomen van appellant als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden. Hierbij is mede van belang dat appellant de bedragen direct heeft kunnen aanwenden voor het dagelijks levensonderhoud.

4.5.

Het college heeft desgevraagd ter zitting van de Raad geen concrete feiten of omstandigheden kunnen aanwijzen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat appellant méér inkomsten heeft gehad dan de bedragen die door de kasstortingen werden bijgeschreven zoals uit de bankafschriften naar voren komt. Dat betalingen vanaf de bankrekening van appellant duiden op de aanwezigheid van een creditcard, brengt niet zonder meer met zich mee, zoals het college meent, dat appellant meer inkomsten heeft gehad. De betalingen van de bankrekening van appellant ten behoeve van een debitcard en de betalingen aan Benchmarker onder de vermelding van mastercard (een pre-paid creditcard) betreffen immers uitgaven van appellant. Appellant heeft daarover onbetwist verklaard dat de mastercard van Benchmarker, evenals de debitcard, voor gebruik dienen te worden opgewaardeerd, hetgeen hij door de betalingen van zijn bankrekening heeft gedaan. Uit voornoemde betalingen van appellant kan dan ook niet worden afgeleid dat appellant de beschikking heeft over andere gelden dan de bankrekening van appellant.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet is vast te stellen. Dit brengt mee dat de intrekking van de bijstand geen stand kan houden. Hieruit volgt dat ook de terugvordering niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4.7.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het college daarom opdracht geven om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op de bezwaren van appellant te nemen.

4.8.

Omdat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, is het college bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over de in geding zijnde maanden, met uitzondering van de maanden april, mei en oktober 2010 en mei 2011 te herzien dan wel in te trekken. Daarbij kunnen de kasstortingen als inkomen worden toegerekend aan de maand waarin de stortingen zijn gedaan. Als de kasstortingen in een maand hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm kan de bijstand over die maand worden ingetrokken. Zijn de stortingen in een maand lager dan die norm, dan bestaat aanleiding voor herziening van de bijstand tot het bedrag van de stortingen. De kasstortingen blijken uit de bankafschriften. Het college is tevens bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van bijstand, voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend, van appellant terug te vorderen.

4.9.

Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschilbeslechting.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 mei 2012;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal €160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) O.P.L. Hovens

HD