Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
12-6327 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autohandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6327 WWB, 12/6328 WWB, 13/788 WWB, 13/789 WWB

Datum uitspraak: 17 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

16 oktober 2012, 10/3185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.N. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 30 oktober 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarop appellanten hebben gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2014. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Bouwman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 1 juli 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een risicoanalyse heeft het Team Handhaving van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW), hebben appellanten informatie verstrekt en zijn appellanten gehoord. Het Team Handhaving heeft vastgesteld dat vanaf januari 2000 in totaal 42 kentekens op naam van appellanten geregistreerd hebben gestaan. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 maart 2010.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

21 mei 2010 de bijstand van appellanten over 32 maanden in de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 december 2009 in te trekken en de over deze maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 42.719,76 van appellanten terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 9 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van

21 mei 2010 gedeeltelijk herroepen in die zin dat de bijstand van appellanten wordt ingetrokken over 23 maanden en van appellanten een bedrag van € 40.068,90 wordt teruggevorderd. Hieraan heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan melding te hebben gemaakt, over 23 maanden in de periode vanaf 1 juli 2000 één of meer kentekens op hun naam hebben gehad en daarmee transacties hebben verricht. Zij hebben daarvan geen deugdelijke administratie bijgehouden. Als gevolg hiervan kan in de maanden waarin kentekenregistraties zijn beëindigd het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de maand december 2009 en de terugvordering. De rechtbank heeft het besluit van 21 mei 2010 herroepen voor zover het de intrekking van de bijstand over de maand december 2009 betreft en het college opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren van appellanten te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. De transacties waren niet bedrijfsmatig van karakter, maar vonden plaats in het kader van eigen gebruik zonder oogmerk om daarmee inkomsten te verwerven. Subsidiair betwisten appellanten dat het recht op bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen. Volgens appellanten had het college aan de hand van een schatting van de waarde van de auto’s kunnen opmaken wat de opbrengst van een auto zou kunnen zijn. Nu het college dat heeft nagelaten is de terugvordering en de hoogte van het terugvorderingsbedrag onredelijk.

4.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 30 oktober 2012 (nader besluit) het bestreden besluit van 9 augustus 2010 in stand gelaten behoudens de intrekking en terugvordering over de maand december 2009, en het terugvorderingsbedrag, na herberekening, nader vastgesteld op € 28.230,82.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nadere besluit wordt, omdat daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellanten, met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrokken.

De aangevallen uitspraak

5.2.

Vaststaat dat in de periode vanaf 1 juli 2000 gedurende 22 maanden een groot aantal autokentekens op naam van appellanten geregistreerd hebben gestaan, waarvan de meeste voor de duur van enkele maanden. Uit de kentekenregistratie van de RDW blijkt dat de betrokken auto’s merendeels na beëindiging van de registratie op naam van appellanten voor de sloop zijn aangemeld en dat een aantal aan particulieren is verkocht. Onder deze omstandigheden is aannemelijk dat geen sprake is van eigen gebruik, maar van op geld waardeerbare transacties die hebben plaatsgevonden op de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellanten stond geregistreerd. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat het om oude auto’s van weinig waarde gaat, betekent niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand hebben of kunnen hebben. Verder kunnen ook met het aanbieden van auto’s voor de sloop inkomsten zijn gegenereerd.

5.3.

Anders dan appellanten stellen, had het voor hen redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de transacties van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarbij is niet alleen van belang welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook welke inkomsten, gelet op de omvang van de activiteiten, redelijkerwijs hadden kunnen worden bedongen of ontvangen. Door het college hiervan niet op de hoogte te stellen, hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

5.4.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten aangevoerd dat appellanten al vele jaren op deze wijze hebben gehandeld, dat hun consulenten daarvan op de hoogte waren en dat zij appellanten hierover nooit hebben aangesproken. Voor zover appellanten hiermee hebben beoogd een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, treft dit geen doel. Uit het dossier blijkt niet dat appellanten hun handelwijze met betrekking tot de aan- en verkoop van auto’s met hun consulenten hebben besproken, noch dat hiervoor aan appellanten uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toestemming is verleend.

5.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Anders dan appellanten hebben betoogd, is het dan aan de betrokkene, en niet aan het college, om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Appellanten hebben geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd met betrekking tot de autotransacties. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in welke omvang, appellanten in de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden recht op aanvullende bijstand zouden hebben gehad.

5.6.

Gelet op het voorgaande was het college dan ook bevoegd de bijstand over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden in te trekken. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Anders dan appellanten menen, hoefde het college bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid tot intrekking geen betekenis toe te kennen aan de geschatte waarde van de verhandelde auto’s in de hier in geding zijnde maanden.

5.7.

Hieruit vloeit voort dat het college bevoegd was de kosten van de over de transactiemaanden verleende bijstand van appellanten terug te vorderen. Het college voert het beleid dat, behoudens dringende redenen, steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen, bestaande in de onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering in financieel of sociaal opzicht, noch bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het gevoerde beleid zou moeten afwijken.

5.8.

Uit 5.2 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2012 moet ongegrond worden verklaard.

Het nadere besluit

5.9.

Omdat appellanten tegen het nadere besluit geen zelfstandige beroepsgronden naar voren hebben gebracht, behoeft dit besluit verder geen bespreking. Het beroep tegen dat besluit dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2012 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2014.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) I.J. Penning

JvC