Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
13-1554 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de wijziging van de hoogte van haar WAO-uitkering. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1554 WWB

Datum uitspraak: 24 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 maart 2013, 12/3570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.M. Jaasma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 februari 2001 in aanvulling op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op de inkomstenverklaring over de maand januari 2008 heeft appellante vermeld dat haar netto WAO-uitkering per 11 januari 2008 is gewijzigd van € 756,47 naar het bedrag van € 830,86 per maand. In de daaropvolgende inkomstenverklaringen over de periode van februari 2008 tot en met december 2011 heeft appellante bij het voorgedrukte bedrag aan WAO-uitkering van € 756,47 telkens aangegeven dat de hoogte hiervan niet is gewijzigd.

1.3.

Bij besluit van 26 maart 2012 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2008 ingetrokken. Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2007 tot en met

31 december 2011 tot een bedrag van € 7.628,31 bruto van appellante teruggevorderd. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de wijziging van de hoogte van haar WAO-uitkering. Sinds 1 januari 2008 was de WAO-uitkering van appellante even hoog of hoger dan de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm zodat zij vanaf die datum geen recht op bijstand had.

1.4.

Bij besluit van 22 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 26 maart 2012 en 16 april 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 is herzien en over de maand januari 2008 is ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze perioden van appellante zijn teruggevorderd en de primaire besluiten in zoverre herroepen.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze ziet op de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode vanaf

1 februari 2008. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat appellante de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat de melding van appellante in

januari 2008 dat haar WAO-uitkering was gewijzigd ook ziet op de daarop volgende periode. Daarbij heeft appellante een beroep gedaan op de zogenoemde zes-maandenjurisprudentie. Voorts heeft zij gesteld dat er gelet op haar persoonlijke situatie dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

4.

Het college heeft ter zitting medegedeeld dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op een bedrag van € 7.435,52.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De in dit geding nog te beoordelen perioden lopen voor wat betreft de intrekking van

1 februari 2008 tot en met 26 maart 2012 en voor wat betreft de terugvordering van

1 februari 2008 tot en met 31 december 2011.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de te beoordelen periode geen melding heeft gemaakt van de wijziging van haar WAO-uitkering. In de maanden februari 2008 tot en met december 2011 heeft appellante op de inkomstenformulieren steeds aangekruist dat het daarop voorgedrukte bedrag van € 756,47 niet gewijzigd is. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat de netto WAO-uitkering van appellante elk half jaar is gewijzigd. Anders dan appellante betoogt, kan de melding van de wijziging van haar WAO-uitkering in de maand januari 2008 niet tevens worden aangemerkt als een melding van een wijziging van deze uitkering in de daaropvolgende periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 17 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH8155) moet het bijstandverlenend orgaan met het oog op een goede en doelmatige uitvoering van de wet kunnen afgaan op de juistheid van de gegevens op de maandelijks in te leveren formulieren. Nu op de maandelijkse inkomenstenverklaringen van appellante het bedrag aan WAO-uitkering is voorgedrukt en zij in januari 2008 wél een wijziging had gemeld, moest het appellante ook redelijkerwijs duidelijk zijn dat de hoogte van haar WAO-uitkering van invloed kon zijn op haar recht op aanvullende bijstand. Dit temeer nu appellante elke maand een uitkeringsspecificatie van het college heeft ontvangen, waarop ook het onjuiste bedrag aan WAO-uitkering stond vermeld. Door van de wijziging van haar WAO-uitkering in de te beoordelen periode geen melding te maken heeft appellante vanaf februari 2008 de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.3.

De grond dat het college onder verwijzing naar de zogenoemde zesmaanden-jurisprudentie niet meer gerechtigd was een terugvorderingsbesluit te nemen, treft geen doel. Voor toepassing daarvan in WWB-zaken is in beginsel geen plaats indien, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.

5.4.

Het college voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen bestaan. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. De door appellante genoemde omstandigheden, samengevat, dat zij al jaren ernstig ziek is en is opgenomen in de schuldsanering, zijn geen gevolg van de terugvordering en zijn daarom niet als dringende redenen in de zin van dit beleid aan te merken. Hierbij komt dat appellante de bescherming heeft van de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en dat het college de terugvordering gelet op het ontbreken van draagkracht bij appellante vooralsnog buiten invordering heeft gesteld.

5.5.

Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) O.P.L. Hovens

HD