Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
26-06-2014
Zaaknummer
12-3442 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te heropenen. Geen toegenomen beperkingen. Geen aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van een gewijzigde medische toestand ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling waarbij de uitkering van appellante werd ingetrokken. Het Uwv heeft op goede gronden geoordeeld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3442 WAO

Datum uitspraak: 20 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

16 mei 2012, 11/2912 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te ’[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman en A. Dahmani, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 september 2005 heeft het Uwv de aan appellante vanwege psychische klachten en knieklachten toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 7 november 2005 ingetrokken, omdat appellante weer in staat werd geacht haar eigen werk van medewerkster tuinbouw te verrichten. Het hiertegen gemaakte bezwaar werd bij besluit van 9 februari 2006 ongegrond verklaard, hetgeen in beroep en in hoger beroep is bevestigd.

1.2. Bij brief van 11 mei 2010 heeft appellante het Uwv verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een WAO-uitkering, vanwege toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Daarbij heeft appellante een rapport van psychiater R.W. Jessurun van 6 april 2010 meegezonden.

1.3. Na een medisch onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2010 geweigerd appellante een WAO-uitkering toe te kennen op de grond dat geen sprake is van een toename van haar beperkingen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van

4 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 4 maart 2011, het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. In beroep tegen het bestreden besluit is namens appellante aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat er geen sprake is van toegenomen psychische beperkingen. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante een rapport van een door haar geraadpleegde deskundige, psychiater V.M. Artist van 9 juli 2011 ingezonden. Deze komt tot de conclusie dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 2 augustus 2011 gereageerd en verwezen naar de bevindingen van psychiater drs. J. IJsselstein van 1 juli 2005, die in de eerdere bezwaarprocedure over de intrekking van de WAO-uitkering op verzoek van het Uwv als deskundige had gerapporteerd. IJsselstein ging uit van minder vergaande beperkingen bij appellante en was van oordeel dat sprake was van simulatie. Artist heeft in een rapport van

14 augustus 2011 zijn zienswijze gegeven.

2.2. Op verzoek van de rechtbank heeft psychiater M. Kazemier als onafhankelijk deskundige verslag uitgebracht. In zijn rapport van 2 november 2011 heeft Kazemier te kennen gegeven dat per 11 mei 2010 sprake was van een aanpassingsstoornis met gemengde kenmerken van angst en depressiviteit. De belastbaarheid is volgens Kazemier ten opzichte van de situatie in 2005 gelijk gebleven. Na kennisneming van de reacties van partijen op zijn rapport, heeft hij zijn conclusies onverkort gehandhaafd.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet onvoldoende grond om het standpunt van het Uwv, dat sinds
7 november 2005 in het bijzonder op 11 mei 2010 bij appellante geen sprake is geweest van toegenomen psychische klachten als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak, voor onjuist te houden. De rechtbank heeft het onderzoek van Kazemier zorgvuldig geacht en geen aanleiding gezien diens conclusies niet te volgen. De rechtbank heeft overwogen dat Kazemier appellante heeft onderzocht en alle relevante stukken, zoals de brief van psychiater R.W. Jessurun van 17 oktober 2011, bij de beoordeling heeft betrokken. Op 11 mei 2010 was volgens Kazemier bij appellante sprake van een aanpassingsstoornis met gemengde kenmerken van angst en depressiviteit. De belastbaarheid van appellante is volgens Kazemier, strikt gezien, in 2010 identiek gebleven en er hebben zich volgens Kazemier sinds 11 mei 2010 geen medische ontwikkelingen voorgedaan die relevant zijn voor de gezondheidstoestand van appellante op 11 mei 2010.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat doorslaggevende betekenis moet worden gehecht aan de rapporten van M.S. Jessurun van 11 oktober 2000 en Artist, waarin is uitgegaan van meer beperkingen bij appellante op psychisch vlak. Verder heeft appellante gesteld dat de rechtbank het rapport van Kazemier onjuist heeft geïnterpreteerd. Kazemier zou bedoeld hebben te zeggen dat de huidige klachten van appellante zijn toegenomen en dat haar belastbaarheid ten opzichte van de situatie in 2005 is afgenomen. De rechtbank heeft volgens appellante met Kazemier miskend dat psychiater IJsselstein in zijn rapport van 1 juli 2005 uitging van simulatie bij appellante en op die grond minder vergaande beperkingen aannam ten aanzien van het psychisch functioneren en de GAF-score bepaalde op 70. Kazemier achtte simulatie niet aan de orde en kwam tot een bepaling van de GAF-score op 50. Daarmee is in 2010 volgens appellante wel degelijk een situatie van toegenomen beperkingen aan de orde.

3.2. Kazemier heeft desgevraagd bij brieven van onder meer 12 en 26 juni 2012 toegelicht dat hij het met de rechtbank eens is dat het ziektebeeld van appellante ongewijzigd is gebleven ten opzichte van 2005 en dat de vraag of de belastbaarheid in 2005 juist is vastgesteld in deze procedure niet aan de orde kan komen. Kazemier heeft zich uitdrukkelijk gedistantieerd van de conclusies van Jessurun.

4.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de rechtbank terecht en op juiste gronden Kazemier heeft gevolgd en of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden als gesteld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Ter beantwoording van die vraag komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.2. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Terecht heeft de rechtbank deze situatie hier aan de orde geacht. Anders dan appellante meent geeft het deskundigenrapport van Kazemier blijk van een zorgvuldig onderzoek en is het rapport inzichtelijk en consistent. Voor zover bij appellante nog twijfel bestaat over de vraag of de rechtbank het rapport van Kazemier wel juist heeft geïnterpreteerd, heeft Kazemier die twijfel weggenomen in zijn brieven van onder meer 12 en 26 juni 2012, waarin hij uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan zijn rapport, juist is. Kazemier onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het ziektebeeld en de beperkingen van appellante in 2010 in vergelijking met 2005 gelijk zijn gebleven.

4.3. Dat IJsselstein in 2005 tot een vaststelling van een hogere GAF-score kwam, maakt de beoordeling niet anders, reeds omdat - volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:1032) - het GAF-systeem is bedoeld om in het kader van een behandeling enig handvat te geven voor de beoordeling en het beloop ervan niet bedoeld is om daarmee beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren vast te leggen.

4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat, nu er geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat sprake is van een gewijzigde medische toestand ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling waarbij de uitkering van appellante per 7 november 2005 werd ingetrokken, het Uwv op goede gronden heeft geoordeeld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Het hoger beroep slaagt niet.

5.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.W. Akkerman en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) I.J. Penning

JvC