Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
26-06-2014
Zaaknummer
12-5710 WMO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering verhuiskostenvergoeding. Geen algemeen gebruikelijke kosten. Ten tijde van de aanvraag was appellant niet meer gedetineerd, maar woonde hij bij zijn zoon. Het college had moeten onderzoeken of appellant bij het bewonen van de woning van zijn zoon belemmeringen ondervond ten gevolge van zijn beperkingen en welke voorziening(en) daarvoor compensatie kunnen bieden als bedoeld in artikel 4 van de Wmo. De Raad draagt het college op het gebrek in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5710 WMO-T

Datum uitspraak: 18 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 september 2012, 12/220 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

H. Kluitmans heeft de Raad bericht dat zij appellant tijdens de zitting zal bijstaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door Kluitmans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. D.M.H.A. van Hirtum.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woonde sinds 26 november 2010, na afloop van zijn detentie, in bij zijn zoon op het adres [naam adres] te [woonplaats]. Omdat appellant problemen ondervond bij het traplopen naar de op de eerste verdieping gelegen slaapkamers, heeft hij op 7 april 2011 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een woonvoorziening aangevraagd in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Over zijn woonsituatie heeft appellant op het aanvraagformulier vermeld “inwonend bij zoon (de huurder), zónder toestemming verhuurder, ná detentieperiode. Voorheen inwonend bij hospita die mantelzorger was.”

1.2.

Op 18 april 2011 heeft appellant een gelijkvloerse woning toegewezen gekregen en geaccepteerd.

1.3.

Bij besluit van 6 juli 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.4.

Het bezwaar van appellant is door het college ongegrond verklaard bij besluit van

11 januari 2012 (bestreden besluit). Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het om algemeen gebruikelijke kosten gaat waarvoor op grond van artikel 2.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eindhoven 2011 (de Verordening) geen voorziening wordt toegekend. De kosten waar appellant voor staat vloeien volgens het college niet voort uit zijn beperkingen, maar uit het feit dat hij door zijn detentie zijn voormalige woonruimte is kwijtgeraakt en na zijn detentie op zoek moest gaan naar nieuwe woonruimte.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant na zijn vrijlating niet meer beschikte over een eigen woonruimte. Het was hem niet gelukt om tijdig nieuwe, zelfstandige woonruimte te vinden, hetgeen hem ertoe gebracht heeft in te trekken bij zijn zoon. Aangezien deze woning niet geschikt bleek te zijn, is hij alsnog op zoek gegaan naar een passende woning. Toen hem van gemeentewege een passende woning werd aangeboden, heeft hij deze geaccepteerd. De verhuizing van appellant is hierdoor eerst en vooral ingegeven door het feit dat appellant na zijn vrijlating niet meer beschikte over zelfstandige woonruimte en berust niet op een medische noodzaak. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat onder deze omstandigheden de verhuiskosten als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt en niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat er wel een medische noodzaak was om te verhuizen. De woning waar hij woonde voordat hij werd gedetineerd voldeed evenmin. Met de detentie in het vooruitzicht had het toen echter geen zin om een aanvraag bij het college in te dienen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo, houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

4.1.2. In artikel 2.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening is bepaald dat geen individuele voorziening wordt toegekend indien deze voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is.

4.2.

Naar het oordeel van de Raad heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verhuiskosten van appellant aangemerkt dienden te worden als algemeen gebruikelijke kosten, omdat de verhuizing van appellant het gevolg was van zijn verblijf in detentie. Appellant was immers ten tijde van de aanvraag op 7 april 2011 niet gedetineerd, maar woonde bij zijn zoon op het adres [naam adres] in [woonplaats]. Het college had moeten onderzoeken of appellant bij het bewonen van deze woning belemmeringen ondervond ten gevolge van zijn beperkingen en welke voorziening(en) daarvoor compensatie kunnen bieden als bedoeld in artikel 4 van de Wmo. Nu dit niet is gebeurd heeft dit tot gevolg dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.3.

De Raad heeft onvoldoende gegevens om de zaak zelf af te doen. Gelet op het belang om tot een finale beslechting van het geschil te komen, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het gebrek in het besluit van 11 januari 2012 te herstellen. Daartoe dient het college vast te stellen welke met het oog op de gevraagde voorziening relevante beperkingen appellant heeft. Verder dient het college na te gaan welke belemmeringen appellant ondervond bij het normale gebruik van de woning aan de [naam adres]. Op basis daarvan dient het college te beoordelen of een voorziening verstrekt dient te worden. Indien het college tot het oordeel komt dat een voorziening in de vorm van een woningaanpassing of een persoonsgebondenbudget waarmee de noodzakelijk woonvoorziening in de oude woning had kunnen getroffen is aangewezen, bepaalt het college, indien dit niet de goedkoopste adequate voorziening is, tevens of een verhuiskostenvergoeding kan worden verstrekt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 11 januari 2012 te herstellen met inachtneming van wat in deze tussenuitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) H.J. Dekker

TM