Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
13-3090 WSF-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maximale boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3090 WSF-G

Datum uitspraak: 2 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2013, 12/1485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.M. Deiman, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg en drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Deiman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 22 oktober 2011 aan betrokkene over de periode januari tot en met december 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2. Bij besluit van 7 juli 2012 heeft appellant het besluit van 22 oktober 2011 herzien, in die zin dat betrokkene over 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het over de periode januari tot en met juni 2012 als gevolg daarvan te veel betaalde is daarbij teruggevorderd.

1.3. Bij brief van 13 juli 2012 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld het voornemen te hebben aan hem een boete op te leggen van € 571,62, omdat betrokkene niet woont op het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is ingeschreven.

1.4. Mede omdat een reactie van betrokkene op de brief van 13 juli 2012 uitbleef, heeft appellant bij besluit van 7 augustus 2012 aan zijn voornemen uitvoering gegeven en aan betrokkene een boete opgelegd van € 571,62.

1.5. Bij besluit van 23 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het door betrokkene tegen het besluit van 7 augustus 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 7 augustus 2012 herroepen. De rechtbank heeft de door appellant opgelegde boete verlaagd tot € 285,81. Daartoe is overwogen dat, anders dan besloten ligt in het standpunt van appellant zoals dat blijkt uit het bestreden besluit, het niet in de rede ligt in beginsel voor iedere overtreding de maximale boete op te leggen. Nu niet is gebleken van een meer of minder dan gemiddelde ernst van de overtreding dan wel een meer of minder dan gemiddelde verwijtbaarheid, en ook de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan niet zodanig zijn dat een hogere of lagere boete moet worden vastgesteld, acht de rechtbank een boete van 50% van het maximale boetebedrag passend en geboden.

3.1.

Appellant heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat uit de parlementaire geschiedenis bij de boeteregeling van artikel 9.9 van de Wsf 2000 blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat in beginsel een boete wordt opgelegd van 50% van het bedrag dat na de herziening als hier aan de orde van de studerende wordt teruggevorderd, tenzij blijkt van een verminderde verwijtbaarheid als gevolg van bijzondere, verzachtende, omstandigheden. Appellant hanteert bij het opleggen van boetes het vorenstaande als uitgangspunt.

3.2.

Appellant acht in het geval van betrokkene geen bijzondere omstandigheden aanwezig. De hoogte van de boete van 50% van het bedrag vorenbedoeld acht appellant in overeenstemming met de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid, zodat de boete passend en geboden is.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien de studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen, maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Het bedrag van de boete bedraagt ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

4.2.

Het opleggen van een bestuurlijke boete als hier aan de orde, is niet een verplichting maar een (discretionaire) bevoegdheid waarvan gebruik kan worden gemaakt. Een bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie. Als een bestuursorgaan gebruikmaakt van de bevoegdheid om een boete op te leggen dan moet, gelet op artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht en gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in volle omvang worden getoetst of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Niet alleen de mate van verwijtbaarheid kan aanleiding vormen voor matiging van de opgelegde boete, maar ook factoren als intensiteit en duur van de overtreding kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de evenredigheid van de boete.

4.3.1.

In het Algemene Deel van de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2010-2011,

32 770,

nr. 3, p. 9 en 10) bij Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwonendenbeurs is onder meer het volgende vermeld:

“3.3.2. Bestuurlijke boete (nieuwe situatie)

Studerenden die verklaren dat ze wonen op het GBA-adres waarop zij staan ingeschreven terwijl ze feitelijk op een ander adres wonen, bijvoorbeeld bij hun ouders, maken misbruik van de uitwonendenbeurs en zullen hard worden aangepakt. Dit is in lijn met de in het Regeerakkoord aangekondigde hardere aanpak van fraude met uitkeringen.

In navolging van de aanbeveling van de SIOD is gekozen voor het invoeren van een bestuurlijke boete naast het terugvorderen van de ten onrechte verkregen uitwonendenbeurs. Bij de eerste keer misbruik kan hiermee worden volstaan. Als er sprake is van recidive, dan wordt er harder opgetreden.

(..)

De bestuurlijke boete bij een eerste keer misbruik van de uitwonendenbeurs bedraagt 50% van het bedrag dat een studerende teveel heeft ontvangen aan uitwonendenbeurs. Daarmee wordt een directe relatie gelegd tussen het ten onrechte ontvangen bedrag en de boete. De Tweede Kamer heeft in het debat van 9 februari 2010 een motie aangenomen, waarin de wens is geuit om bij een eerste keer misbruik van de uitwonendenbeurs direct een boete van 50% te kunnen opleggen. Deze wens wordt gehonoreerd in dit wetsvoorstel en sluit aan bij de in het Regeerakkoord aangekondigde hardere aanpak van fraude. In uitzonderlijke gevallen kan worden afgezien van het opleggen van een boete of kan de hoogte daarvan worden aangepast, bijvoorbeeld indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid of bij bijzondere omstandigheden.”

4.3.2. In de Nota naar aanleiding van het Verslag (Tweede Kamer 2010-2011, 32 770, nr. 6,

p. 9) is vermeld dat de regering er om redenen van evenredigheid en proportionaliteit voor heeft gekozen de hoogte van de boete te koppelen aan de hoogte van de ten onrechte ontvangen studiefinanciering, zodat de boete noch te hoog, noch te laag is om de juiste (afschrikwekkende) uitwerking te hebben.

4.4.

In het onderhavige geval heeft appellant aanleiding gezien van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken door betrokkene een boete op te leggen ter hoogte van 50% van het bedrag dat van betrokkene is teruggevorderd wegens het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 1.5 van de Wsf 2000. De wijze waarop appellant gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid kan de rechterlijke toetsing doorstaan. Het door appellant gehanteerde uitgangspunt als vermeld in 3.1 is aanvaardbaar. Hierbij is van belang dat uit de onder 4.3.1 geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat de hoogte van de boete 50% bedraagt in het geval het een eerste overtreding betreft, maar dat daarvan in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken indien er bijvoorbeeld gebleken is van een verminderde verwijtbaarheid of bij bijzondere omstandigheden. Daarbij heeft, zoals ook blijkt uit de passage die is geciteerd onder 4.3.2, de regering oog gehad voor de evenredigheid en proportionaliteit van de op te leggen boete. Nu in het onderhavige geval niet is gebleken van een verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden, is de opgelegde boete niet onevenredig. In dit verband is van belang dat de periode waarover de boete wordt opgelegd niet zodanig lang is en het bedrag van de boete niet zodanig hoog dat deze niet meer voldoet aan de eisen van proportionaliteit.

4.5.1.

De rechtbank is gelet op overweging 4.4 ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het door appellant gehanteerde uitgangspunt meerbedoeld niet aanvaardbaar is.

4.5.2.

In de aangevallen uitspraak worden niet expliciet (uitzonderlijke) omstandigheden genoemd die in het geval van betrokkene zouden hebben kunnen maken dat de overtreding hem niet ten volle zou kunnen worden verweten, of dat appellant anderszins aanleiding had moeten zien een lagere boete op te leggen. Uit de gegevens die zich bij de gedingstukken bevinden blijkt dat betrokkene op het moment dat appellant zijn woonsituatie controleerde al enkele maanden niet meer op zijn GBA-adres woonde. Hij heeft dat adres naar eigen zeggen in december 2011 verlaten, omdat er in zijn kamer sprake was van lekkage die moeilijk te verhelpen bleek. Hij had om die reden elders woonruimte gehuurd en voor die huur een overeenkomst ondertekend waaruit blijkt dat hij daar ten minste zeven maanden zou blijven wonen. Hij heeft zich niettemin op dat adres niet ingeschreven. Toen de lekkage in mei 2012 verholpen was is betrokkene, naar eigen zeggen in verband met drukte door zijn studie, niet naar zijn GBA-adres teruggekeerd, maar heeft hij met terugkeer gewacht tot augustus 2012. Uit de verklaring die betrokkene heeft gegeven voor zijn langdurige afwezigheid op het

GBA-adres en de overige in bezwaar en beroep aangevoerde gegevens is de Raad, gelet op de hiervoor weergegeven feiten, niet gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden of een verminderde verwijtbaarheid die ertoe hadden moeten leiden dat appellant een lagere boete moest opleggen. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. De opgelegde boete is op juiste wijze afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Dat betekent dat de boete die appellant bij besluit van 7 augustus 2012 aan betrokkene heeft opgelegd in stand blijft.

5.

Omdat het hoger beroep slaagt en het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D.E.P.M. Bary

IvR