Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:21

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
12-3585 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand omdat appellant zijn hoofdverblijf feitelijk niet in Amsterdam heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3585 WWB

Datum uitspraak: 14 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2012, 11/5767 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R.H. Swane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.L.M. Straatsma, kantoorgenoot van mr. Swane. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 30 november 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In verband met medische problemen ondergaat appellant regelmatig behandelingen in het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC) te Utrecht en verblijft dan bij familie in Utrecht om bij te komen van de behandeling. Appellant heeft bij zijn aanvraag om bijstand de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) hiervan in kennis gesteld.

1.2.

In het kader van onderzoek naar de woon/leefsituatie van appellant is hij bij brief van

7 juli 2011 uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van DWI. Omdat hij zonder bericht van afmelding niet op de afspraak is verschenen, is de bijstand met ingang van 21 juli 2011 opgeschort en is hij opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 4 augustus 2011. Hem is daarbij verzocht zogenoemde zevendagen formulieren over de periode van 7 juli 2011 tot en met 3 augustus 2011 in te vullen en in te leveren. Uit de ingeleverde formulieren bleek dat appellant overwegend in Utrecht verbleef. Appellant is naar aanleiding van het gesprek op

4 augustus 2011 in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens omtrent zijn verblijfplaats te verstrekken. Daartoe is hem onder andere verzocht ingevulde zevendagen formulieren over de periode van 4 augustus 2011 tot en met 17 augustus 2011 in te leveren. Op 18 augustus 2011 heeft wederom een gesprek met appellant plaatsgevonden. Op grond van de overgelegde gegevens heeft het college geconcludeerd dat appellant het merendeel van de tijd in Utrecht en elders buiten de gemeente Amsterdam verblijft.

1.3.

Bij besluit van 18 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 oktober 2011 (bestreden besluit), heeft college de bijstand van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 21 juli 2011. De besluitvorming is gebaseerd op de overweging dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting, zoals omschreven in artikel 17 van de WWB, omdat hij zonder daarvan melding te maken voornamelijk in de gemeente Utrecht verblijft, zodat geen recht op bijstand jegens de gemeente Amsterdam bestaat.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college terecht heeft vastgesteld dat appellant zijn hoofdverblijf feitelijk niet in Amsterdam heeft. Nu appellant het college daarover niet heeft geïnformeerd, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de WWB geschonden en is het college op goede gronden tot intrekking van de uitkering overgegaan.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat betwist hij dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hij zijn hoofdverblijf niet in Amsterdam had. Het college was op de hoogte van de zijn slechte gezondheidstoestand. Het verblijf bij zijn familie was van tijdelijk aard en appellant heeft zijn hoofdverblijf in Amsterdam gehouden en nooit willen opgeven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Het college heeft de intrekking van de bijstand per 21 juli 2011 niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van

21 juli 2011 tot en met 18 augustus 2011.

4.2.

De vraag waar iemand woonplaats heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

Appellant heeft gesteld dat hij altijd volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn verblijf in Utrecht. Zijn stelling vindt echter geen bevestiging in de stukken. Uit de door hem ingevulde zevendagen formulieren over de periode van 7 juli tot en met 18 augustus 2011 volgt dat hij van de 42 dagen slechts vier dagen in Amsterdam heeft verbleven. Dat hij al eerder heeft doorgegeven dat hij in verband met zijn gezondheidstoestand langer dan twee dagen bij zijn familie in Utrecht verblijft, blijkt niet uit de tot het dossier behorende rapportages. Aan de stelling dat zijn gezondheidssituatie er toe heeft geleid dat hij de zevendagen formulieren niet juist heeft ingevuld, dan wel op andere wijze geen of onjuiste informatie heeft verschaft, gaat de Raad voorbij. Appellant heeft deze stelling niet met medische stukken onderbouwd.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant ten tijde hier van belang feitelijk niet in Amsterdam verbleef. Dit blijkt duidelijk uit de door appellant ingevulde zevendagen formulieren alsmede uit zijn verklaring dat zijn administratie en kleding in Utrecht lagen. De omstandigheid dat appellant in de te beoordelen periode ook therapie in Amsterdam volgde en niet de intentie had om zijn hoofdverblijf in Amsterdam op te geven, maakt dat niet anders. Aan de stelling dat er ook administratie en kleding in Amsterdam lagen, gaat de Raad voorbij, nu appellant deze stelling pas ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat appellant in de in geding zijnde periode niet zijn woonplaats in Amsterdam heeft gehad, zodat geen recht op bijstand jegens de gemeente Amsterdam bestond. Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting hiervan bij het college geen melding gemaakt. Als gevolg daarvan is hem over de te beoordelen periode ten onrechte bijstand verleend. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de bijstand van appellant over deze periode in te trekken. Tegen de gebruikmaking van de intrekkingsbevoegdheid zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.R. Schuurman

HD