Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2099

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
26-06-2014
Zaaknummer
11-7388 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Het Uwv heeft ten onrechte geen arbeidsovereenkomst aangenomen. De stichting heeft voldaan aan de uit artikel 7:629 van het BW en uit artikel 31, derde lid, van de CAO voortvloeiende verplichting en aan appellant in verband met de uit zijn ziek zijn voortvloeiende verhindering om arbeid te verrichten loon betaald. Het feitelijk tot 23 september 2010 niet verrichten door appellant van de overeengekomen arbeid behorende bij de functie van medewerker in algemene dienst is geen reden om de overeenkomst niet als arbeidsovereenkomst te karakteriseren. In het algemeen geldt dat het ontbreken van een feitelijke arbeidsverrichting in verband met ziekte of een verhindering die voor risico van de werkgever komt, niet eraan in de weg staat om een arbeidsovereenkomst aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7388 ZW

Datum uitspraak: 11 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 november 2011, 11/4171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Appellant en mr. Verkerk zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

Het onderzoek is na de zitting heropend. Het Uwv heeft geantwoord op vragen van de Raad en nadere stukken ingezonden, waarop appellant heeft gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 2000 in een zogenoemde Instroom/Doorstroombaan gaan werken als conciërge/schoolassistent bij een onderwijsinstelling. Bij beschikkingen van 6 oktober 2006 en 17 september 2008 is vastgesteld dat appellant behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). De laatste Wsw-indicatie heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

1.2. In verband met stopzetting van de subsidie is de arbeidsovereenkomst van appellant met de onderwijsinstelling met ingang van 1 augustus 2009 geëindigd. Aan appellant is een uitkering verstrekt op grond van de Werkloosheidswet.

1.3. Op 8 januari 2010 hebben appellant en de Stichting[naam stichting] Amsterdam (Pantar), als vertegenwoordiger van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college), een overeenkomst getekend waarin is vermeld dat appellant met ingang van 28 december 2009 voor de duur van twaalf maanden in dienst is getreden van[naam stichting] als medewerker in algemene dienst.[naam stichting] heeft bij het Uwv aangifte gedaan van langdurige ziekte van appellant en daarbij 27 april 2010 als eerste ziektedag van appellant opgegeven. Appellant is op 28 december 2010 ziek uit dienst gegaan.

1.4. Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 28 december 2010 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Daarbij is het dagloon vastgesteld op € 84,56.

1.5. Bij besluit van 12 april 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 10 maart 2011 beëindigd, omdat appellant niet verzekerd is geweest voor de ZW. Volgens het Uwv is appellant bij[naam stichting] niet in dienstbetrekking werkzaam geweest, omdat de overeenkomst met[naam stichting] niet zozeer gericht was op het verrichten van arbeid, maar ten doel had appellant zodanig te ontwikkelen dat hij weer een baan op de reguliere arbeidsmarkt zou kunnen verkrijgen.

1.6. Bij besluit van 19 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 8 maart 2011 en 12 april 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat tussen appellant en[naam stichting] van een arbeidsovereenkomst geen sprake is geweest, omdat appellant feitelijk geen productieve arbeid voor[naam stichting] heeft verricht. Hij is slechts op 23 en 24 september 2010 gedurende twee uur per dag bij[naam stichting] aanwezig geweest en kon het hem aangeboden werk (brieven vouwen en pennen op puzzelboekjes plakken) niet aan. Omdat geen recht op een uitkering op grond van de ZW bestaat, heeft het Uwv het bezwaar voor zover zich dat richt tot de hoogte van het dagloon onbesproken gelaten.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant bij[naam stichting] geen arbeid heeft verricht in de zin van artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hiertoe heeft de rechtbank

- samengevat - overwogen dat het bij arbeid in de zin van dit artikel gaat om productieve arbeid in economische zin, waarbij relevant is of sprake is van een prestatie jegens de wederpartij waarbij deze baat heeft. De in omvang beperkte werkzaamheden waarmee appellant is belast, waren gericht op het uitbreiden van zijn kennis, vaardigheden en ervaring en een middel om zijn re-integratie in het reguliere arbeidsproces te bevorderen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant tot[naam stichting] niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, zodat hij niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het doel van de overeenkomst met[naam stichting] om hem te re-integreren in het reguliere arbeidsproces niet eraan afdoet dat die overeenkomst gericht was op het verrichten van productieve arbeid voor[naam stichting]. Hij heeft op twee dagen ook daadwerkelijk arbeid geleverd. Volgens appellant is hij verzekerd geweest voor de ZW.

3.2.

Het Uwv heeft naar voren gebracht dat hij in het geval van appellant heeft beslist in overeenstemming met een indertijd gehanteerde gedragslijn dat een arbeidsovereenkomst tot een privaatrechtelijke dienstbetrekking leidt indien binnen deze overeenkomst enige vorm van productieve arbeid is verricht, waarbij de omvang en/of de duur van de productieve arbeid niet relevant is. Gezien een door een bezwaararbeidsdeskundige gegeven beschrijving van het bedrijf van[naam stichting] en diens vaststelling in een rapport van 13 juni 2013 dat appellant bij[naam stichting] niet aan re-integratie-activiteiten heeft deelgenomen en evenmin werkzaamheden heeft verricht, heeft het Uwv het standpunt gehandhaafd dat het niet verricht hebben van productieve arbeid door appellant aan het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW in de weg staat. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de ZW is werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4.1.2. Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is sprake als partijen een overeenkomst zijn aangegaan die is aan te merken als een arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 7:610, eerste lid, van het BW is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt om in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

4.1.3. Op grond van artikel 1, derde lid, van de Wsw draagt het college van burgemeester en wethouders van een gemeente er zorg voor dat aan zoveel mogelijk ingezetenen die geïndiceerd zijn, een dienstbetrekking wordt aangeboden voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden. Ter uitvoering van deze opdracht kan het college op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wsw aan een geïndiceerde ingezetene arbeid aanbieden bij de gemeentelijke sociale werkvoorziening. Voor de uitvoering van de Wsw kan op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wsw een privaatrechtelijke rechtspersoon worden aangewezen.

4.1.4. Voor het verrichten door een geïndiceerde ingezetene van arbeid onder aangepaste omstandigheden kan het college op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wsw een dienstbetrekking aanbieden. In artikel 1, eerste lid, van de Wsw is bepaald dat onder dienstbetrekking wordt verstaan een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610, eerste lid, van het BW.

4.1.5. Uit artikel 3, eerste lid, van de Wsw volgt dat de arbeid, bedoeld in artikel 2, eerste lid, gericht is op het behouden dan wel het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer mede met het oog op het kunnen gaan verrichten van arbeid onder normale omstandigheden.

4.1.6. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.2.

Uit de door het Uwv overgelegde stukken blijkt dat[naam stichting] van oorsprong een
Wsw-bedrijf is dat is uitgegroeid tot een doorstroom- en mensontwikkelingsbedrijf voor alle mensen met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt en daartoe samenwerkt met de gemeente Amsterdam.[naam stichting] plaatst een zogenoemde trajectganger bij voorkeur, al dan niet met begeleiding of op basis van detachering, bij een regulier bedrijf. Voor instromers die een werkplek nodig hebben “onder het eigen dak van[naam stichting]” wordt het instrument van de zogenoemde Werksluis gehanteerd. In de Werksluis worden lichte, bij de sociale werkvoorziening passende, werkzaamheden verricht en wordt beoordeeld of de instromer plaatsbaar is in het werkbedrijf van[naam stichting], en zo ja in welk onderdeel daarvan hij het best zou kunnen worden geplaatst.

4.3.

Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 juni 2013 blijkt dat appellant ziek was toen hij de in 1.3 aangeduide overeenkomst tekende en dat[naam stichting] voor 27 april 2010 in verband met die ziekte geen arbeidsverrichting van appellant heeft verlangd. In mei 2010 heeft de bedrijfsarts appellant in zoverre hersteld geacht dat appellant zou kunnen worden geplaatst.[naam stichting] heeft getracht appellant te plaatsen als conciërge op een school, maar is daarin niet geslaagd. Vervolgens is besloten appellant in de Werksluis te plaatsen. Hij is op de in 1.6 genoemde dagen met de daar genoemde werkzaamheden belast, waarna is vastgesteld dat hij dat werk niet aankon.

4.4.

In de considerans van de, door partijen als “arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” benoemde, overeenkomst is neergelegd dat[naam stichting] door het college is aangewezen om als privaatrechtelijke rechtspersoon de Wsw uit te voeren en dat met appellant een arbeidsovereenkomst in het kader van de Wsw wordt aangegaan met het doel hem terug te brengen naar de reguliere arbeidsmarkt of naar een plaats zo dicht mogelijk bij de reguliere arbeidsmarkt. Uit deze bewoordingen blijkt de wens van het college om met de indiensttreding van appellant bij[naam stichting] uitvoering te geven aan de opdracht die voortvloeit uit artikel 1, derde lid, van de Wsw.

4.5.

In zijn besluitvorming heeft het Uwv miskend dat uit artikel 2, eerste lid, van de Wsw, in samenhang met de in artikel 1, eerste lid, van de Wsw gegeven definitie van het begrip dienstbetrekking, het uitgangspunt volgt dat de rechtsverhouding van het college en een geïndiceerde ingezetene aan wie is aangeboden om onder aangepaste omstandigheden arbeid te verrichten, heeft te gelden als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610, eerste lid, van het BW. Beoordeeld moet worden of er in het geval van appellant redenen zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. In dat verband is op grond van de in 4.1.6 genoemde rechtspraak de partijbedoeling van belang en de wijze waarop aan de overeenkomst door partijen uitvoering is gegeven.

4.6.

Uit de bepalingen van de overeenkomst blijkt - gelet op de daarin beschreven rechten en verplichtingen van appellant en[naam stichting] - dat partijen bedoeld hebben in overeenstemming met hetgeen is bepaald in de Wsw een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Zij hebben hun overeenkomst niet alleen in artikel 1, eerste lid, nadrukkelijk benoemd als een arbeidsovereenkomst en in artikel 1, tweede lid, op die overeenkomst de bepalingen van de CAO voor de sociale werkvoorziening (CAO) van toepassing verklaard, maar zij hebben ook bepalingen opgenomen over functie, loon en de verplichting van appellant om mee te werken aan een wijziging van werk of functie in het geval dat voor de ontwikkeling van appellant passend wordt geacht.

4.7.

De wijze waarop partijen aan hun overeenkomst uitvoering hebben gegeven is in lijn met hun bedoeling.[naam stichting] heeft vanaf 28 december 2009 voldaan aan de uit artikel 7:629 van het BW en uit artikel 31, derde lid, van de CAO voortvloeiende verplichting en aan appellant in verband met de uit zijn ziek zijn voortvloeiende verhindering om arbeid te verrichten loon betaald. Met de gezette stappen, zoals beschreven in het in 4.3 genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, om te komen tot een arbeidsverrichting van appellant heeft[naam stichting] werkgeversgezag uitgeoefend.

4.8.

Anders dan het Uwv veronderstelt, is het feitelijk tot 23 september 2010 niet verrichten door appellant van de overeengekomen arbeid behorende bij de functie van medewerker in algemene dienst geen reden om de overeenkomst niet als arbeidsovereenkomst te karakteriseren. In het algemeen geldt dat het ontbreken van een feitelijke arbeidsverrichting in verband met ziekte of een verhindering die voor risico van de werkgever komt, niet eraan in de weg staat om een arbeidsovereenkomst aan te nemen. Het Uwv wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de werkzaamheden die appellant op 23 en 24 september 2010 heeft verricht, geen arbeid als bedoeld in artikel 7:610 van het BW is geweest. Bij het ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel, wordt aangenomen dat het vouwen van brieven en het plakken van pennen op puzzelboekjes arbeid betrof die voor[naam stichting] een economische waarde had en is aan te merken als productieve arbeid. Meer in het bijzonder geldt voorts voor een arbeidsovereenkomst in het kader van de Wsw dat op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wsw ook van arbeid in de zin van artikel 7:610, eerste lid, van het BW sprake kan zijn als die arbeid niet of niet geheel voldoet aan algemene op de arbeidsmarkt geldende noties van productiviteit. Doel van de arbeid die een Wsw-werknemer onder aangepaste omstandigheden verricht, is immers het behouden of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid. Daarbij wordt, indien mogelijk, met de inzet van begeleiding, opleiding en training, uitstroom naar een regulier bedrijf gerealiseerd, zoals ook als doel is omschreven in de door appellant en[naam stichting] gesloten overeenkomst. De voor[naam stichting] als Wsw-werkgever uit de Wsw voortvloeiende verplichtingen om een Wsw-werknemer zodanig te ontwikkelen dat aan de doelstelling van de Wsw wordt voldaan, zijn uitgewerkt in de artikelen 55 en 56 van de CAO.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat er geen redenen zijn om op grond van de bedoeling van partijen of de uitvoering van de overeenkomst af te wijken van het in 4.5 genoemde uitgangspunt en te oordelen dat de overeenkomst van 8 januari 2010 niet is aan te merken als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het BW.

4.10.

Uit de vaststelling dat tussen appellant en[naam stichting] van 28 december 2009 tot en met

28 december 2010 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en daarmee een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de ZW, volgt dat appellant in die periode de status van werknemer in de zin van die bepaling heeft behouden en als verzekerde in de zin van de ZW was aan te merken.

5.1.

Hetgeen in 4.1.1 tot en met 4.10 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5.2.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet in dit geval geen grond om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien. Voor het doen van een tussenuitspraak is evenmin ruimte. Een opdracht aan het Uwv op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip werknemer. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 487,- in bezwaar, op € 487,- in beroep en op € 1.217,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 8,40 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal

€ 2.199,90.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 juli 2011;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.199,90;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en C.C.W. Lange en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) H.J. Dekker

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

HD