Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
12-1492 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte. In de toelichting bij artikel 11.7 van de NRGA is vermeld dat als een onvoldoende beoordeling leidt tot ontslag op grond van artikel 12.12 van de NRGA het ontoelaatbaar is dat die beoordeling slechts door één beoordelaar wordt opgemaakt. Het beroep van appellant hierop kan hem niet baten, reeds omdat het ontslag niet is gebaseerd op één beoordeling, maar op de bevindingen van diverse functionerings- en beoordelingsgesprekken die met hem in 2007 en 2008 zijn gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1492 AW

Datum uitspraak: 19 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
1 februari 2012, 11/2168 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de raad van de gemeente Amsterdam (gemeenteraad)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76) is de gemeenteraad in de plaats getreden van de deelraad van het stadsdeel [stadsdeel], voorheen [stadsdeelraad], (stadsdeelraad), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van gemeenteraad, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de stadsdeelraad.

Namens appellant heeft mr. A. Lange hoger beroep ingesteld.

Namens de gemeenteraad heeft mr. S. van Loenhout een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lange. De gemeenteraad heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Loenhout, M. Essahsah, L. van der Heijden en E. Rosema.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 januari 2006 aangesteld in de functie van [naam functie] bij de stadsdeelraad.

1.2. Bij besluit van 23 maart 2009 heeft de stadsdeelraad appellant ontslag verleend met ingang van 1 juni 2009. Verder is aan hem buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging tot 1 juni 2009. Het ontslag is primair verleend wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor zijn functie anders dan door ziekte of gebreken op grond van artikel 12.12, aanhef en onder a, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) en subsidiair wegens incompatibiliteit op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA.

1.3. Bij besluit van 15 maart 2011 (bestreden besluit) heeft de stadsdeelraad het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2009 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het ontslag per 1 juni 2009 is gehandhaafd en bepaald dat aan appellant per 24 juli 2009 ontslag wordt verleend met behoud van bezoldiging tot 24 juli 2009. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant tegen de beoordeling van 7 november 2007 geen bezwaar heeft gemaakt, zodat deze in rechte onaantastbaar is geworden, en dat appellant de beoordeling van 29 oktober 2008 niet inhoudelijk heeft betwist. De rechtbank heeft verder aan de hand van de gedingstukken gemotiveerd overwogen dat appellant niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het vervullen van de functie zijn vereist. De rechtbank is van oordeel dat uit de beoordelingen en de overige verslagen genoegzaam is gebleken dat appellant vanaf februari 2007 met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en hem de kans is geboden zijn functioneren bij te stellen.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het ontslag per onjuiste datum is aangezegd. Ingevolge artikel 12.1, derde lid, van de NRGA bedraagt de aanzegtermijn in dit geval vier maanden. De rechtbank heeft daarom het primaire ontslagbesluit in die zin gewijzigd dat de ontslagdatum is vastgesteld op 24 juli 2009 en buitengewoon verlof is verleend met behoud van bezoldiging tot die datum.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hij meent dat geen volledige (objectieve en onafhankelijke) heroverweging heeft plaatsgevonden en geen sprake is geweest van equality of arms. Daarbij heeft hij erop gewezen dat uit het gestelde ter zitting van de rechtbank is gebleken dat de griffier van de Stadsdeelraad ([X.]) is gehoord dan wel bevraagd door (leden van) het Presidium dat de besluitvorming heeft voorbereid. Aldus heeft [X.] invloed op het bestreden besluit gehad, terwijl appellant hiertoe niet de gelegenheid heeft gehad. Bovendien blijkt de betrokkenheid van [X.] uit de aanwezigheid ter vergadering op 15 maart 2011 en uit de (mede)ondertekening van het bestreden besluit. Appellant meent dat de stadsdeelraad hem op 15 maart 2011 over zijn bezwaar had moeten horen.

3.1.1.

Wat appellant heeft aangevoerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat het ontslagbesluit niet op rechtmatige wijze tot stand is gekomen. [X.] heeft als leidinggevende van appellant bij de functionerings- en beoordelingsgesprekken alsmede bij de totstandkoming van het primaire ontslagbesluit een belangrijke rol gehad. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat [X.] ook bij de totstandkoming van het bestreden besluit inhoudelijk betrokken is geweest. Dat [X.] in haar hoedanigheid van griffier van de stadsdeelraad de vergadering van 15 maart 2011 bijwoonde, alwaar de stadsdeelraad het bestreden besluit heeft genomen, en in die hoedanigheid het bestreden besluit met de bijbehorende schriftelijke motivering samen met de voorzitter van de stadsdeelraad heeft ondertekend, is onvoldoende om aan te nemen dat de stadsdeelraad het ontslagbesluit niet op objectieve en onafhankelijke wijze heeft heroverwogen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Presidium bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest en daarbij [X.] heeft gehoord of bevraagd. Reeds hierom kan het feit dat appellant zelf niet is gehoord of bevraagd door het Presidium geen strijd met de eis van equality of arms opleveren. Appellant is op 23 juni 2009 ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht over zijn bezwaar gehoord door de bezwaarschriftencommissie. De stadsdeelraad was niet verplicht appellant vervolgens ook zelf over zijn bezwaar te horen.

3.2.

Appellant heeft verder aangevoerd dat geen bevoegdheid bestond hem te ontslaan wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte. In dat verband heeft hij erop gewezen dat de verwijten die hem bij de beoordelingen zijn gemaakt veelal zijn blijven steken in algemeenheden zonder concrete voorbeelden. Verder zijn diverse procedurevoorschriften niet in acht genomen bij de beoordelingen van 7 november 2007 en
29 oktober 2008. Zo zijn niet de juiste formulieren toegepast, is onvoldoende rekening gehouden met de reacties van appellant op de beoordelingen en is in strijd met de toelichting bij artikel 11.7 van de NRGA geen tweede beoordelaar bij de beoordelingen betrokken. Ook is volgens appellant geen sprake geweest van een gestructureerd en eenduidig verbetertraject.

3.2.1.

In de toelichting bij artikel 11.7 van de NRGA is vermeld dat als een onvoldoende beoordeling leidt tot ontslag op grond van artikel 12.12 van de NRGA het ontoelaatbaar is dat die beoordeling slechts door één beoordelaar wordt opgemaakt. Het beroep van appellant hierop kan hem niet baten, reeds omdat het ontslag niet is gebaseerd op één beoordeling, maar op de bevindingen van diverse functionerings- en beoordelingsgesprekken die met hem in 2007 en 2008 zijn gevoerd. Bij een deel van die gesprekken was bovendien behalve [X.] ook [Y.], werkzaam bij personeelszaken, aanwezig.

3.2.2.

De rechtbank heeft de beoordeling van 7 november 2007 ten onrechte als een in rechte onaantastbare beoordeling aangemerkt. Deze beoordeling, alsmede die van 29 oktober 2008, is immers niet formeel vastgesteld, zoals de gemeenteraad ter zitting van de Raad heeft erkend. Dit neemt niet weg dat de verslagen van de beoordelingsgesprekken op
7 november 2007, 9 september 2008 en 29 oktober 2008 samen met de verslagen van de voortgangsgesprekken in maart, april en mei 2008 als grondslag voor het ontslagbesluit hebben kunnen dienen. Op grond van die verslagen hebben de stadsdeelraad en de rechtbank terecht de conclusie getrokken dat appellant ongeschikt is voor de uitoefening van zijn functie. De competenties waaraan het schort zijn in de verslagen benoemd en toegelicht. Anders dan appellant stelt bevatten de verslagen verder diverse concrete voorbeelden van het onvoldoende functioneren. Dat appellant een andere voorstelling heeft van zijn functioneren dan de stadsdeelraad, betekent niet dat de beoordeling van de stadsdeelraad op onvoldoende gronden berust. Uit genoemde verslagen blijkt verder dat appellant diverse keren en op genoegzame wijze op zijn functioneren en gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. De conclusie is dat de gemeenteraad bevoegd was appellant op grond van artikel 12.12, aanhef en onder a, van de NRGA ongeschiktheidsontslag te verlenen.

3.3.

Appellant heeft ook aangevoerd dat de rechtbank met de enkele wijziging van de ontslagdatum geen recht heeft gedaan aan het belang van de re-integratiefase. Volgens appellant heeft de gemeenteraad in de re-integratiefase van vier maanden geen inspanningen verricht om appellant aan passende werkzaamheden te helpen.

3.3.1.

De vraag of de stadsdeelraad in de re-integratiefase van vier maanden na het nemen van het ontslagbesluit aan zijn re-integratieverplichtingen jegens appellant heeft voldaan, kan in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslagbesluit zelf niet aan de orde komen. Die vraag kan wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van een besluit waarbij het ontslag wordt geëffectueerd (vergelijk onder meer de uitspraak van

10 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5510). Een dergelijk effectueringsbesluit is hier echter niet genomen en ligt daarom niet ter toetsing voor. Dit betekent dat de stelling van appellant over het gebrek aan inspanningen in de re-integratiefase hier buiten bespreking blijft.

3.4.

Nu de primaire ontslaggrond standhoudt, komt de Raad niet toe aan een beoordeling van wat appellant over de subsidiaire ontslaggrond heeft aangevoerd.

3.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.K. Dekker

HD