Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
13-1654 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en bruto-terugvordering bijstand. Meerdere geldtransacties. Schending inlichtingenverplichting. De gestelde transactie van € 1.924,- op 2 maart 2009 voldoet (...) niet aan de vereisten, omdat het meldingsformulier, in tegenstelling tot de andere formulieren, geen nummer van een identiteitsbewijs vermeldt. Geen bewijs van identiteitsfraude.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1654 WWB

Datum uitspraak: 17 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 februari 2013, 12/3601 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Berendse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berendse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 1 januari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% ontvangen. Vanaf 18 juli 2008 ontvangt hij opnieuw bijstand naar de norm voor een alleenstaande, dit keer met een toeslag van 20%.

1.3. Op 2 januari 2012 heeft een inspecteur van politie, werkzaam bij de Financial Intelligence Unit Nederland van het Korps Landelijke Politiediensten, een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt inzake verdachte transacties door appellant. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat appellant bij elf transacties in acht maanden bedragen van in totaal € 16.895,-, variërend van

€ 90,- tot € 3.401,-, heeft overgemaakt naar verschillende landen in Afrika en Europa. Na ontvangst van dit proces-verbaal met bijlagen heeft een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is appellant op 25 januari 2012 verhoord. Tijdens dit verhoor heeft appellant in eerste instantie ontkend dat hij ooit geld naar het buitenland heeft overgemaakt. Na confrontatie met de ontvangen informatie over de geldtransacties, ook wel aangeduid als moneytransfers, heeft appellant erkend dat hij drie keer een bedrag naar het buitenland heeft overgemaakt. Van de overige transacties heeft appellant betwist dat hij die heeft verricht. Over een betwiste transactie naar Duitsland heeft appellant verklaard, dat hij die niet kan hebben verricht, omdat hij geen geld kan sturen aangezien zijn naam op de terroristenlijst staat. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport uitkeringsfraude van 30 januari 2012.

1.4. Deze onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 20 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de maanden augustus 2005, september 2005, november 2005, juli 2008 en maart 2009 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over die maanden tot een bedrag van € 3.882,68 bruto van appellant terug te vorderen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant in deze maanden financiële transacties heeft verricht, waarmee hij inkomen heeft verworven of kunnen verwerven. Aangezien daarover verifieerbare gegevens ontbreken, kan het recht op bijstand over die maanden niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Behoudens drie transacties, ontkent appellant dat hij de financiële transacties heeft verricht. Naar de mening van appellant heeft de rechtbank onvoldoende in ogenschouw genomen dat hij op

13 december 2012 bij de politie aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude in die zin dat onbekenden met zijn identiteitsgegevens geldbedragen naar het buitenland hebben overgemaakt. Deze moneytransfers heeft het college ten onrechte aan appellant toegeschreven. Voorts is appellant van mening dat geen sprake was van moneytransfers op structurele basis op grond waarvan inkomsten mogen worden aangenomen. Appellant heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat ondanks schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, omdat de inkomsten uit moneytransfers schattenderwijs kunnen worden vastgesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant stelt dat hij slachtoffer is geworden van identiteitsfraude, waardoor acht geldtransacties ten onrechte aan hem zijn toegeschreven. In dat verband heeft hij bij de aangifte bij de politie het vermoeden uitgesproken dat medewerkers van Western Union Money Transfer (Western Union) een kopie maken van de identiteitsdocumenten van de mensen die daar geldtransacties verrichten en dat met die kopieën valse transacties worden gepleegd. Enige ondersteuning voor dit vermoeden heeft appellant niet geleverd. De, overigens zeer late, aangifte bij de politie heeft niet geleid tot onderzoeksbevindingen die het vermoeden van appellant ondersteunen. Het college is bij navraag verzekerd dat een transactie bij Western Union alleen wordt uitgevoerd als de klant zich meldt met een origineel paspoort of identiteitskaart en dat een kopie daarvan onvoldoende is. Van de transacties waarbij naam, geboortedatum en nummer van het paspoort dan wel vreemdelingenidentiteitskaart van appellant zijn genoteerd, kan worden aangenomen dat deze door appellant zijn verricht. De omstandigheid dat daarbij een aantal keren het vrouwelijke geslacht is genoteerd, is niet bepalend omdat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dit ook is gebeurd bij transacties die appellant erkent te hebben verricht.

4.2.

De gestelde transactie van € 1.924,- op 2 maart 2009 voldoet evenwel niet aan de in 4.1 genoemde vereisten, omdat het meldingsformulier, in tegenstelling tot de andere formulieren, geen nummer van een identiteitsbewijs vermeldt. Daarnaast zou uit dit meldingsformulier volgen dat appellant geld naar zichzelf in Nederland heeft overgemaakt. Aangezien in maart 2009 geen andere transactie heeft plaatsgevonden, berust het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand over deze maand op een ondeugdelijke motivering.

4.3.

Voldoende grondslag bestaat voor het standpunt dat appellant in de resterende vier maanden in geding zeven transacties heeft verricht van in totaal € 10.717,-. Gelet op het aantal transacties en de veelal grote bedragen van de transacties is sprake van op geld waardeerbare arbeid. Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand. De omstandigheid dat appellant, zoals aangevoerd, niet op structurele basis betrokken was bij geldtransacties, laat onverlet dat hij in de maanden waarin hij bijstand ontving en een of meer geldtransacties hebben plaatsgevonden de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8680) levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.4.2.

Het subsidiaire standpunt van appellant dat, uitgaande van het tarief dat Westen Union hanteert, de inkomsten uit deze transacties schattenderwijs kunnen worden vastgesteld, wordt niet onderschreven. Zoals appellant ter zitting heeft erkend, bestaat er geen enkele aanwijzing dat de vergoeding voor deze activiteiten gelijk is of zou moeten zijn aan het bedrag dat Western Union de klanten in rekening brengt.

4.4.3.

In de situatie waarin de omvang van de verzwegen werkzaamheden en de inkomsten daaruit niet, ook niet schattenderwijs kunnen worden vastgesteld, kan in beginsel het recht op bijstand over de betreffende periode worden ingetrokken. In de omstandigheden van appellant bestaat aanleiding daarop een uitzondering te maken voor de maanden augustus 2005 en november 2005. Appellant heeft in die maanden een bedrag van € 143,- onderscheidenlijk

€ 137,- overgemaakt aan twee verschillende personen in Nigeria. Aan deze twee personen heeft appellant in de overige transactiemaanden geen geld overgemaakt. Onder deze omstandigheden is, mede gelet op de aard en omvang van de activiteiten die gemoeid zijn met het overmaken van bedragen naar het buitenland, niet aannemelijk dat de vergoeding die appellant hiervoor heeft gekregen of redelijkerwijs had kunnen bedingen hoger was dan de overgemaakte bedragen. Daarom had het college de bijstand van appellant over de maand augustus 2005 moeten herzien tot een bedrag van € 143,- en over de maand november 2005 tot een bedrag van € 137,-.

4.5.

Uit 4.2 en 4.4.3 volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de maanden augustus 2005, november 2005 en maart 2009 en de terugvordering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over genoemde drie maanden en de terugvordering, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 20 februari 2012 te herroepen voor zover daarbij de bijstand over augustus 2005, november 2005 en maart 2009 is ingetrokken. Daarbij is in aanmerking genomen dat, mede gelet op het tijdsverloop, uitgesloten moet worden geacht dat het gebrek dat kleeft aan de intrekking van de bijstand over maart 2009 kan worden hersteld. De Raad zal bepalen dat de bijstand van appellant wordt herzien over augustus 2005 tot een bedrag van € 143,- en over november 2005 tot een bedrag van € 137,-. De Raad zal het college opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar inzake de terugvordering van bijstand te nemen. Aangezien het college nu nog slechts een nieuwe berekening moet maken van het terug te vorderen bedrag en daarover naar verwachting geen discussie zal kunnen ontstaan, ziet de Raad af van toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus om te komen tot definitieve beslechting van het geschil.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep, dus in totaal € 2.922,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 juni 2012 voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand over

augustus 2005, november 2005 en maart 2009 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 20 februari 2012 in zoverre daarbij de bijstand van appellant over

augustus 2005, november 2005 en maart 2009 is ingetrokken, bepaalt dat de bijstand over

augustus 2005 tot een bedrag van € 143,- en over november 2005 tot een bedrag van € 137,-

wordt herzien en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van

6 juni 2012;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de terugvordering van

gemaakte kosten van bijstand;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.

De uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van

C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

17 juni 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD