Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
12-5983 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:6407, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een indicatie voor AWBZ-zorg. Er zijn voorliggende voorzieningen voor een (eventueel) noodzakelijke behandeling met daarmee gepaard gaand verblijf. Appellant is een vreemdeling als bedoeld in artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. Voor niet-spoedeisende medisch noodzakelijke zorg zijn door het College voor zorgverzekeringen contracten gesloten met GGZ-instellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5983 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 oktober 2012, 12/1740 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

Datum uitspraak: 28 mei 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op 7 augustus 1948, is afkomstig uit Algerije. Hij heeft op 4 juni 2008 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) bij CIZ een aanvraag ingediend voor een indicatie van de functie verblijf.

1.2.

Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft CIZ de aanvraag afgewezen. Appellant komt niet in aanmerking voor zorg ingevolge de AWBZ, omdat uit diens gegevens niet blijkt van voldoende (medische) informatie om een grondslag voor de gevraagde functie vast te kunnen stellen. Bij besluit van 30 januari 2009 heeft CIZ het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 5 augustus 2008 ingetrokken, omdat CIZ, gelet op de verblijfsstatus van appellant, niet bevoegd is een indicatiebesluit af te geven. Bij uitspraak van 22 september 2009 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het besluit van 30 januari 2009 gegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 2008 alsnog ongegrond verklaard.

1.3.

In de uitspraak van 11 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV0607, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2009 vernietigd en CIZ opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad heeft geoordeeld dat CIZ zich er niet van behoeft te vergewissen of de zorgvrager zich kwalificeert als verzekerde op grond van de AWBZ. Artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ houdt in dat iedere inwoner van de gemeente, ongeacht of hij zich kwalificeert als verzekerde op grond van de AWBZ, zich tot CIZ kan wenden om te laten beoordelen of hij is aangewezen op zorg ingevolge de AWBZ. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij de uitvoering van de AWBZ, gelet op de tekst van de wet en de bedoeling van de wetgever, onderscheid dient te worden gemaakt tussen indicatiestelling en de indicatierealisering. De besluitvorming over de indicatiestelling berust bij CIZ en de besluitvorming over de realisering van de aanspraak op geïndiceerde zorg berust bij de zorgverzekeraar.

1.4.

Ter uitvoering van de in 1.3 genoemde uitspraak van de Raad van 11 januari 2012 heeft CIZ bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van
5 augustus 2008 ongegrond verklaard. Hieraan heeft CIZ ten grondslag gelegd dat op grond van medisch onderzoek geen noodzaak bestaat om appellant een indicatie te verlenen voor de functie verblijf. Appellant is aangewezen op psychiatrische behandeling die ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ voorgaat op de eventuele inzet van AWBZ-zorg.

2.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. CIZ heeft de aanvraag om een indicatie voor AWBZ-zorg terecht afgewezen, omdat er voorliggende voorzieningen zijn voor een (eventueel) noodzakelijke behandeling met daarmee gepaard gaand verblijf. Appellant is een vreemdeling als bedoeld in artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. Voor niet-spoedeisende medisch noodzakelijke zorg zijn door het College voor zorgverzekeringen contracten gesloten met GGZ-instellingen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is naar voren gebracht dat niet in geschil is dat appellant aanspraak heeft op behandeling. Er is een aanspraak, maar het realiseren van de aanspraak lukt niet, omdat appellant niet binnenkomt bij een behandelaar.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat CIZ met het bestreden besluit uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de Raad in de uitspraak van 11 januari 2012 om met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Ter uitvoering van deze opdracht heeft CIZ beoordeeld of appellant is aangewezen op zorg ingevolge de AWBZ. De negatieve uitkomst van deze beoordeling is neergelegd in het bestreden besluit.

4.2.

In hoger beroep heeft appellant geen beroepsgronden aangevoerd tegen de wijze waarop CIZ uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de Raad en de uitkomst van de beoordeling van appellants aanspraak op zorg ingevolge de AWBZ. Appellant betwist niet dat hij aanspraak heeft op behandeling die voorligt op zorg ingevolge de AWBZ. De beroepsgronden richten zich uitsluitend tegen het niet kunnen realiseren van die behandeling. Realisering van zorg kan echter niet aan de orde komen in een bestuursrechtelijk geding dat zich uitstrekt tot uitsluitend de indicatie van zorg ingevolge de AWBZ door CIZ.

4.3.

Uit wat in 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en W.H. Bel en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) E. Heemsbergen

RH