Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
12-3781 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering pgb. De Raad is van oordeel dat appellant de besteding van het pgb niet heeft verantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3781 AWBZ

Datum uitspraak: 18 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

4 juni 2012, 12/118 AWBZ (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014. Namens appellant is

mr. E.J. Luursema, kantoorgenoot van mr. Dieters, verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Boot.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant voor het jaar 2009 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 16.981,89 toegekend. Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het Zorgkantoor het pgb vastgesteld op € 14.175,77 wegens het niet volledig verantwoorden van het toegekende bedrag. Daarbij heeft het Zorgkantoor een bedrag van € 2.551,39 van appellant teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 31 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 mei 2010 ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aan de hand van declaraties, bankafschriften dan wel een belastingopgaaf van de zorgverlener, inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in de periode van 19 november 2009 tot en met 31 december 2009 zijn pgb heeft besteed. Meer in het bijzonder is niet inzichtelijk gemaakt welke bedragen daadwerkelijk aan de zorgverlener zijn uitbetaald. Het Zorgkantoor acht hierbij van belang dat het bedrag op het verantwoordingsformulier niet overeenkomt met de toegezonden kwitanties.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij aan alle voor hem geldende voorwaarden heeft voldaan. Dat in de ogen van het Zorgkantoor de administratie niet op orde is, is te wijten aan het handelen van tussenpersoon [naam tussenpersoon].

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad is van oordeel dat appellant de besteding van het pgb over de in 1.2 genoemde periode niet heeft verantwoord. Appellant heeft op het door hem overgelegde verantwoordingsformulier weliswaar een bedrag genoemd dat hij in de periode in geding zou hebben betaald, maar hij heeft geen declaraties met een overzicht van de dagen waarop is gewerkt, het aantal uren en het uurtarief van de zorgverlener (zijn dochter) verstrekt. Uit de door hem overgelegde kwitanties en zorgovereenkomst kan voorts niet worden afgeleid dat de zorg waarvoor het pgb is verstrekt, ook daadwerkelijk aan appellant is verleend en hiervoor ook daadwerkelijk is betaald. Dat de niet op orde zijnde pgb-administratie te wijten zou zijn aan de handelwijze van de door appellant ingeschakelde tussenpersoon, nog daargelaten dat appellant deze stelling in het geheel niet heeft onderbouwd, is een omstandigheid die in dit geval voor rekening en risico van appellant komt.

4.2.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

QH