Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
12-4960 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante ten tijde hier van belang niet was uitgesloten en dat van een duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA niet kan worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4960 WIA

Datum uitspraak: 11 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

24 juli 2012, 11/5531 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van 23 november 2012 van bezwaarverzekeringsarts R. Rombout ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2014. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde Van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 15 januari 2011 heeft appellante haar tot dat moment voltijds verrichte werkzaamheden van inpakster/productiemedewerkster wegens neurologische klachten

(multi infarct dementie) moeten staken. In verband hiermee heeft appellante op 5 juli 2011 aan het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met toepassing van een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van die wet, omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn.

1.2. Bij besluit van 15 september 2011 heeft het Uwv op dit verzoek afwijzend beslist, onder de overweging dat appellante niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Aan dit besluit is het rapport van 5 september 2011 van verzekeringsarts H.J. Streutker ten grondslag gelegd. Deze beschikte over de uitkomsten van een door de behandelende sector bij appellante ingesteld neurologisch en neuropsychologisch onderzoek, waaruit naar voren komt dat een deel van de klachten kunnen worden veroorzaakt vanuit cerebrale afwijkingen, dat appellante jarenlang met giftige stoffen heeft gewerkt die op de klachten van invloed kunnen zijn en dat sprake lijkt van forse stemmingsklachten, wellicht een depressie. Op basis van deze gegevens en zijn eigen onderzoek is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat nog kans op verbetering bestaat als de depressieve problematiek wordt behandeld.

1.3. In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat haar huisarts geen depressie bij haar heeft vastgesteld en aan haar ook nimmer anti-depressiva heeft voorgeschreven. Volgens de huisarts zijn, aldus appellante, haar klachten toe te schrijven aan de cerebrale afwijkingen en heeft een psychologisch traject geen meerwaarde.

1.4. Bezwaarverzekeringsarts Rombout is, na kennisneming van een brief van

19 oktober 2011 van de huisarts, bij rapport van 17 november 2011 tot de conclusie gekomen dat in de informatie van de psycholoog drs. M. Peperkamp de motivering is te vinden voor het bestaan van depressief getinte stemmingsklachten bij appellante en dat de ontkenning daarvan door appellante als onderdeel te zien valt van het moeilijk kunnen accepteren van de diagnose multi infarct dementie. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is een verbetering te verwachten als de acceptatieproblematiek van appellante is opgeklaard en haar stemming is verbeterd. Ook zonder psychotherapie en medicamenteuze ondersteuning valt die verbetering te verwachten. Op basis hiervan heeft het Uwv het bezwaar van appellante bij besluit van

21 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. In beroep is namens appellante aangevoerd dat zij geen stemmingsklachten heeft, anders dan de stemmingsfluctuaties die in de gegeven medische situatie behoren tot het dagelijkse, normale leven en dat als zij al stemmingsklachten zou hebben die geen concrete beperkingen voor het verrichten van arbeid opleveren.

2.2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 30 januari 2012 van bezwaarverzekeringsarts Rombout, zijn standpunt gehandhaafd en in het in beroep door appellante overgelegde rapport van 21 maart 2012 van neuropsycholoog

drs. E. van der Scheer geen aanleiding gezien voor een ander oordeel.

2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft het standpunt van het Uwv onderschreven, nu zij geen aanleiding heeft gevonden om de conclusies van de verzekeringsartsen aangaande een niet uit te sluiten relevant herstel van bij appellante aanwezige psychische klachten voor onjuist te houden.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij (geen functionele beperkingen als gevolg van) depressiviteit heeft ondervonden, zodat aan een eventueel mogelijk herstel van niet bestaande functionele beperkingen ten aanzien van het recht op een vervroegde uitkering geen betekenis toekomt. Zo er al enige invloed van soms sombere stemmingen op medische beperkingen zou moeten worden aangenomen, dan is die invloed, aldus appellante, van secundaire aard en behoort die gelet op de uitspraak van de Raad van 22 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN8036) voor het recht op een vervroegde uitkering buiten beschouwing te blijven.

3.2. Bezwaarverzekeringsarts Rombout heeft bij rapport van 23 november 2012 in reactie hierop zijn standpunt gehandhaafd dat de stemmingsstoornissen door middel van neuropsychologisch onderzoek zijn geobjectiveerd en dat bij opklaring hiervan ook de draagkracht van appellante, in de zin van meer kunnen, zal toenemen. De stemmingsklachten zijn een essentiƫle component in de draagkracht van appellante en daarmee geenszins als secundair te beschouwen.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 26 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV2014) heeft overwogen is het uitgangspunt dat slechts in een onomkeerbare situatie sprake kan zijn van een verkorte wachttijd. Dit is door de wetgever tot uitdrukking gebracht door in artikel 23, zesde lid, van de wet WIA uitdrukkelijk slechts te verwijzen naar het tweede lid van artikel 4 en niet ook naar het derde lid of naar artikel 4, zonder verdere beperking. Dit betekent dat het Uwv in het kader van een aanvraag om een verkorte wachttijd slechts dient te beoordelen of sprake is van een stabiele of verslechterende medische situatie. Als herstel mogelijk is kan geen sprake zijn van een toekenning van uitkering met toepassing van een verkorte wachttijd.

4.2.

De Raad stelt vast dat op grond van artikel 23, zesde lid van de Wet WIA het einde van de verkorte wachttijd niet eerder is bereikt dan 10 weken na indiening van de aanvraag om uitkering. De datum in geding is daarom 13 september 2011, zijnde 10 weken na 5 juli 2011, de datum van aanvraag.

4.3.

De Raad beantwoordt bevestigend de vraag of het Uwv, uitgaande van deze datum, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten en voorts op goede gronden heeft geoordeeld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA.

4.4.

De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van

17 november 2011 van bezwaarverzekeringsarts Rombout. Deze heeft, zoals ook uit de voetnoten in zijn rapport blijkt, kennis genomen van alle relevante gegevens van medische en andere aard en is daarop uitvoerig en op afdoende inzichtelijke wijze ingegaan. De gegevens van psycholoog Peperkamp en de huisarts bieden voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat sprake is van een reactieve stemmingsstoornis bij appellante nadat zij vernomen had dat zij lijdt aan multi infarct dementie. Het standpunt van appellante dat zij geen althans niet in relevante mate last had van stemmingsstoornissen kan de Raad daarom niet volgen. De Raad heeft geen aanwijzingen dat de stelling van de bezwaarverzekeringsarts dat ook zonder psychotherapie en medicatie opklaring van appellantes stemmingsklachten mogelijk is, voor onjuist moet worden gehouden.

4.5.

De Raad is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante ten tijde hier van belang niet was uitgesloten en dat van een duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA niet kan worden gesproken.

5.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor vergoeding van wettelijke rente als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

6.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD