Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2028

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
11-4613 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rapporten van de bva en bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek met betrekking tot het subsidiair ingenomen standpunt in het bestreden besluit hersteld. Appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering, omdat zijn objectieve gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering uitval binnen een half jaar na het begin van zijn werkzaamheden moest doen verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4613 WIA

Datum uitspraak: 6 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

21 juli 2011, 10/1961 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 12 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1529) een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige overgelegd. Hierop heeft appellant zijn zienswijze gegeven. Vervolgens heeft het Uwv met een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige op de zienswijze gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat, alsmede naar zijn in de onder Procesverloop vermelde tussenuitspraak in 4.3 tot en met 4.5 gegeven overwegingen leidend tot het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijk gemotiveerde grondslag.

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van 20 september 2013 van bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy en rapporten van 30 september 2013 en

24 oktober 2013 van bezwaararbeidsdeskundige A. Oudenaller ingezonden.

2.2.

In deze rapporten is, kort samengevat, vermeld dat gelet op de bij appellant bestaande structurele arm-, hand- en vingerbeperkingen, er een meer dan redelijke verwachting was dat hij na aanvaarding van het werk als medewerker proceskeuken zou uitvallen. De functie van medewerker proceskeuken is vanwege het frequent zwaarder tillen, dragen en reiken, een fysiek zwaardere functie dan de eerdere door appellant verrichte functie van medewerker spoelkeuken. Gelet op zijn beperkingen heeft appellant arbeid aanvaard die zijn krachten en bekwaamheden evident te boven gingen, waardoor uitval binnen een half jaar te verwachten was.

2.3.

Namens appellant is bij brief van 9 oktober 2013 in reactie op voornoemde rapporten opgemerkt dat er weliswaar verschillen waren tussen de functies medewerker spoelkeuken en medewerker proceskeuken, maar dat de belastingelementen bij de medewerker proceskeuken niet wezenlijk zwaarder zijn dan die bij de medewerker spoelkeuken. In zoverre acht appellant nog steeds onvoldoende gemotiveerd waarom de functie van medewerker proceskeuken voor hem niet passend is.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Uit de in 2.1 vermelde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige alsmede de overige verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, komt met een voldoende mate van zekerheid naar voren dat appellant bij aanvang van zijn werkzaamheden op 11 augustus 2008, zijnde tevens de datum waarop zijn verzekering voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) (weer) een aanvang heeft genomen, al forse beperkingen ondervond als gevolg van reeds sedert vele jaren bestaande nek- en rugklachten alsmede linkerarm-, hand- en vingerklachten.

3.2.

Gegeven deze reeds bij aanvang van de verzekering bestaande aanzienlijke beperkingen en gelet op de zwaarte en intensiteit van de belasting ten aanzien van, onder meer, het tillen, dragen en reiken in het werk van de medewerker proceskeuken, waarbij tweehandigheid vereist is, viel met grote mate van zekerheid te verwachten dat appellant dit werk slechts kortdurend zou kunnen volhouden. Dat appellant dit werk na één dag moest staken in verband met toegenomen klachten, lag in de lijn der verwachting.

3.3.

De namens appellant naar voren gebrachte stelling dat de functie van medewerker spoelkeuken qua belasting weinig verschilde van die van medewerker proceskeuken, vindt geen steun in de stukken. Uit deze stukken blijkt veeleer dat in de functie van medewerker proceskeuken een zwaarder beroep werd gedaan op de functie van twee armen en handen in verband met het tillen, dragen en reiken, dan bij de medewerker spoelkeuken het geval was. Deze laatste functie heeft appellant, anders dan de functie van medewerker proceskeuken, ook gedurende een ruime periode verricht.

3.3.

Met de in 2.1 van deze uitspraak vermelde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek met betrekking tot het subsidiair ingenomen standpunt in het bestreden besluit hersteld. Dit leidt er toe dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zijn objectieve gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering uitval binnen een half jaar na het begin van zijn werkzaamheden moest doen verwachten. Het Uwv heeft op grond van artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 43, aanhef en onderdeel c, van de Wet WIA, zoals deze bepalingen ten tijde in geding luidden, terecht besloten aan appellant per 10 augustus 2010 geen uitkering op grond van deze wet toe te kennen.

3.4.

Uit hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met het vorenstaande, volgt dat het besluit van 9 februari 2011 (bestreden besluit) op een gebrekkige motivering berust, zodat dit besluit op grond van strijd met artikel 7:12 van de Awb geen stand kan houden. Uit onderhavige uitspraak volgt dat het gebrek in de motivering van het bestreden besluit met de nadere rapporten genoemd in 2.1, is hersteld. Het bestreden besluit berust nu op een voldoende grondslag. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak, voor zover hierbij het beroep tegen het betreden besluit ongegrond is verklaard, vernietigen. De Raad zal ook het bestreden besluit vernietigen, maar bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

4.

Er bestaat tot slot aanleiding het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.217,50 voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

9 februari 2011 ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.217,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) R.L. Rijnen

TM