Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
12-3932 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft de Stichting Rentree Werkt aangewezen als rechtspersoon in het kader van de WWB, die jongeren, uitkeringsgerechtigden en langdurig werklozen in dienst neemt en detacheert bij inleners, met als doel het versterken van hun positie op de reguliere arbeidsmarkt. Ten onrechte intrekking en terugvordering ZW-uitkering. Privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en Rentree Werkt.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/222
USZ 2014/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3932 ZW

Datum uitspraak: 11 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 juni 2012, 12/82 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Goettsch. Namens het Uwv is verschenen

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van de gemeente Stede Broec. De gemeente heeft de Stichting Rentree Werkt

(Rentree Werkt) aangewezen als rechtspersoon in het kader van de WWB, die jongeren, uitkeringsgerechtigden en langdurig werklozen in dienst neemt en detacheert bij inleners, met als doel het versterken van hun positie op de reguliere arbeidsmarkt.

1.2. Appellant en Rentree Werkt hebben op 29 november 2010 een overeenkomst getekend, waarin is vermeld dat appellant van 1 november 2010 tot 1 maart 2011 gedurende 36 uur per week tegen een salaris gelijk aan het voor appellant geldende minimumloon bij Rentree Werkt in dienst zal zijn. Op dezelfde dag heeft appellant met Rentree Reïntegratie een afzonderlijke “trajectovereenkomst” gesloten.

1.3. Appellant heeft vanaf 1 november 2010 bij een onderdeel van Rentree Werkt, Inpakken & Wegwezen, werkzaamheden verricht als productiemedewerker. De werkzaamheden hielden onder meer in het vouwen van wasgoed. Op 13 december 2010 is appellant vanwege ziekte volledig uitgevallen voor zijn werk. Het dienstverband met Rentree Werkt is per 1 maart 2011 van rechtswege geëindigd. Aan appellant is aansluitend een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend.

1.4. Bij besluiten van 31 mei 2011, 7 juni 2011, 7 juni 2011 en 22 november 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering en de toeslag van appellant met ingang van 1 maart 2011 ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering en toeslag over de periode van 1 maart 2011 tot en met 29 mei 2011 van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 30 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 31 mei 2011 en 22 november 2011 gegrond verklaard en deze besluiten herroepen, in die zin dat de ZW-uitkering onderscheidenlijk de TW-toeslag zijn ingetrokken met ingang van 1 juni 2011. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 7 juni 2011 gegrond verklaard en deze besluiten ingetrokken. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant geen werknemer was in de zin van de ZW en daarom geen recht had op uitkeringen op grond van de ZW en de TW. Naar de mening van het Uwv was de tussen appellant en Rentree Werkt gesloten overeenkomst gericht op uitstroom naar reguliere arbeid bij het doorsluizen van de WWB-uitkering.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bestond in de van belang zijnde periode geen reguliere privaatrechtelijke dienstbetrekking, in de zin van een arbeidsovereenkomst of een uitzendovereenkomst tussen appellant en Rentree Werkt, maar is gelet op hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomsten van 29 november 2010 voor ogen heeft gestaan en in aanmerking genomen de wijze waarop daaraan feitelijk uitvoering en inhoud is gegeven, sprake geweest van werkzaamheden om in het kader van een re-integratietraject vakbekwaamheid te verwerven en werkervaring op te doen ten einde uit te stromen naar regulier werk.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat is voldaan aan de criteria voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Hij stelt wel degelijk productieve arbeid te hebben verricht in het kader van een dienstbetrekking met Rentree Werkt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil betreft de vraag of appellant werknemer is in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW. Gelet op deze bepaling, voor zover hier van belang, is vereist dat appellant tot Rentree Werkt in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan.

4.2.

Voor de vraag of appellant tot Rentree Werkt in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan is maatgevend of tussen hem en Rentree Werkt sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stond, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien

(zie HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.3.

In dit kader komt als eerste betekenis toe aan de tussen Rentree Werkt en appellant onder de titel “arbeidsovereenkomst Stichting Rentree Werkt/Uitvoering Wet Werk en Bijstand (WWB) t.b.v. dienstverband Werk Direct” op 29 november 2010 gesloten overeenkomst. In die overeenkomst is Rentree Werkt aangeduid als werkgever en appellant als werknemer. De overeenkomst bevat bepalingen op grond waarvan appellant per 1 november 2010 als werknemer in dienst is getreden van Rentree Werkt. Blijkens artikel 2 (met de kop “Aanvang en einde van de arbeidsovereenkomst”) en artikel 5 (met de kop “Arbeidsduur en werktijden”) betrof het een dienstverband voor de duur van vier maanden op basis van een 36-urige werkweek. Artikel 4 van de overeenkomst verplichtte appellant tot het verrichten van werkzaamheden voor de werkgever en tot het zich beschikbaar houden om werkzaamheden te verrichten bij door de werkgever aan te geven detacheringsplaatsen. Artikel 6 bevat bepalingen inzake het overeengekomen salaris. Hetgeen Rentree Werkt en appellant schriftelijk zijn overeengekomen, wijst in de richting van een arbeidsovereenkomst.

4.4.

De opvatting van appellant dat hij de werkzaamheden als productiemedewerker bij Inpakken & Wegwezen uit hoofde van een arbeidsovereenkomst heeft verricht, wordt blijkens de gedingstukken gedeeld door Rentree Werkt. Ook Rentree Werkt heeft bezwaar gemaakt tegen het in 1.4 genoemde besluit van 31 mei 2011 en in dat verband met een opsomming van de criteria voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst bevestigd dat de bedoeling van partijen is gericht geweest op het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

4.5.

De werkzaamheden van appellant bij Inpakken & Wegwezen zijn aangevangen op

1 november 2010 en blijkens een zich bij de gedingstukken bevindende brief van Rentree Reïntegratie aan appellant van 30 november 2010 is het uit de trajectovereenkomst van

29 november 2010 voortvloeiende re-integratietraject van appellant pas gestart met een intakegesprek op 2 december 2010. Alleen al gelet op dat tijdsverloop heeft het feit dat naast de overeenkomst van appellant met Rentree Werkt een trajectovereenkomst is gesloten geen betekenis voor de aard van de overeenkomst die met ingang van 1 november 2010 tussen appellant en Rentree Werkt heeft bestaan.

4.6.

Voor de beoordeling van de feitelijke uitvoering die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven, komt betekenis toe aan het gegeven dat appellant gedurende de looptijd van de overeenkomst tot zijn uitval bij Inpakken & Wegwezen daadwerkelijk arbeid heeft verricht. Appellant heeft onweersproken gesteld dat hij op elke werkdag bezig is geweest met het vouwen van was. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft in zijn rapport van

20 oktober 2011 vastgelegd dat hem bij zijn onderzoek is gebleken dat bij Inpakken & Wegwezen werkzaamheden worden verricht in opdracht van diverse afnemers. Het sorteren, opvouwen, stapelen en bundelen van wasgoed, waarmee appellant is belast, zijn werkzaamheden geweest ten behoeve van ziekenhuizen en andere instellingen. Aan die werkzaamheden komt een economische waarde toe. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige blijkt dat op de dag van zijn bezoek aan de voormalige werkplek van appellant aan een aantal medewerkers van Inpakken & Wegwezen cursus werd gegeven, maar de arbeidskundige heeft niet onderzocht of ook appellant cursussen of trainingen heeft gehad. Appellant heeft betwist dat hij in de periode van 1 november 2010 tot zijn uitval scholingen of trainingen heeft gevolgd of met andere activiteiten gericht op uitstroom naar regulier werk bezig is geweest. Uit de hiervoor vermelde omstandigheden volgt dat de door appellant verrichte werkzaamheden bij Inpakken & Wegwezen niet waren gericht op het vergroten van kennis en het opdoen van werkervaring maar op het leveren van productie. Dat betekent dat appellant en Rentree Werkt aan hun overeenkomst uitvoering hebben gegeven op een wijze die met hun bedoeling in overeenstemming was.

4.7.

Gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen is sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen appellant en Rentree Werkt en was appellant werknemer in de zin van de ZW.

5.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Voor het doen van een tussenuitspraak is geen ruimte. Een opdracht aan het Uwv op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip werknemer. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal het Uwv tevens moeten beslissen op het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente over na te betalen uitkering.

6.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep, in totaal € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) H.J. Dekker

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

CVG