Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
14-1769 AW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim. Spoedeisend belang. Uitspraak in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de aan verzoeker opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1769 AW-VV, 14/1770 AW

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker]te [woonplaats] (verzoeker)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 10 juni 2014

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. M.H. Dedding hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (rechtbank) van 14 maart 2014, 14/571 (aangevallen uitspraak).

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Dedding. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

R.H. Laurs.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter volstaat met het volgende.

1.1.

Verzoeker was sinds 15 november 2004 werkzaam bij de [naam werkgever]. Hij was vanaf 1 januari 2011 als [naam functie] tewerkgesteld bij de [naam onderdeel].

1.2.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de staatssecretaris verzoeker met toepassing van de artikelen 80, eerste lid, en 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) per 20 september 2013 ontslag verleend wegens zeer ernstig plichtsverzuim. De staatssecretaris heeft verzoeker verweten de hem voor zakelijke reizen beschikbaar gestelde NS Business Card veelvuldig te hebben gebruikt voor privéreizen.

1.3.

Bij uitspraak van 5 november 2013 (13/5477) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant het besluit van 18 september 2013 en de daaraan verbonden gevolgen geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

1.4.

Bij besluit van 19 december 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2013 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de rechtsoverwegingen 10, 11 en 12 van de aangevallen uitspraak en de beslissing om het beroep ongegrond te verklaren. Deze overwegingen luiden als volgt:

“10. Verzoeker heeft voorts gewezen op zijn goede staat van dienst en op de ernstige gevolgen die hij ondervindt door het strafontslag. De staatssecretaris, die aanvankelijk uitging van verzoekers goede staat van dienst, is daar in het bestreden besluit op teruggekomen. Anders dan verzoeker meent, staat het de staatssecretaris vrij om feiten en omstandigheden, waar eerder aan voorbij was gegaan, bij de heroverweging te betrekken. Wat er van de goede staat van dienst al dan niet mag zijn, met het oog op de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1023) overweegt de voorzieningenrechter dat de staatssecretaris aan zijn belang om integere en betrouwbare medewerkers in dienst te hebben meer gewicht heeft mogen hechten dan aan het belang van verzoeker om zijn werk te behouden. De door verzoeker gestelde goede staat van dienst leidt niet tot een andere conclusie.

11.

De voorzieningenrechter concludeert dat wat verzoeker heeft aangevoerd te weinig gewicht in de schaal legt om het gegeven strafontslag niet evenredig aan het plichtsverzuim te achten.

12.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.”.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de staatssecretaris in het besluit van 18 september 2013 heeft erkend dat hij een goede staat van dienst had en dat de staatssecretaris in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door dit standpunt na bezwaar te wijzigen. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat de staatssecretaris de vaste gedragslijn heeft om in vergelijkbare gevallen waarin nog geen sprake is van een waarschuwing, niet tot onvoorwaardelijk ontslag over te gaan.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Gelet op de financiële situatie waarin verzoeker sinds februari 2014 verkeert is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.

4.3.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, in dit geval de aangevallen uitspraak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat er ook overigens geen beletselen zijn om uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.5.1.

Wat betreft de stelling van verzoeker dat hij een onberispelijke staat van dienst had, dat de staatssecretaris dat in het besluit van 18 september 2013 heeft erkend en daarom in het bestreden besluit niet daarvan had mogen terugkomen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.5.2.

Verzoeker doelt met zijn stelling op de in het besluit van 18 september 2013 opgenomen zin “Gezien het belang dat de [naam werkgever] heeft bij het nastreven van een integere overheidsorganisatie weeg ik de ernst van de aan betrokkene verweten gedragingen zwaarder dan zijn goede staat van dienst.”. Hierin kan echter geen uitdrukkelijke erkenning worden gelezen van de staatssecretaris dat verzoeker een goede staat van dienst had. Gelet op de beschikbare gegevens, waaronder de verklaring van de gemachtigde van de staatssecretaris ter zitting van de voorzieningenrechter, moet worden aangenomen dat de staatssecretaris bij de in genoemde zin opgenomen afweging zonder verder onderzoek is uitgegaan van de door verzoeker in zijn zienswijze gestelde onberispelijke staat van dienst. De staatssecretaris had dus alle ruimte om in het bestreden besluit onder verwijzing naar de brief van 4 maart 2010, inhoudende een waarschuwing aan het adres van verzoeker wegens het niet als een goed huisvader omgaan met dienstmiddelen, het standpunt in te nemen dat verzoeker geen onberispelijke staat van dienst had. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van de staatssecretaris hierover. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.6.

In 4.5.2 ligt besloten dat de beroepsgrond van verzoeker over de gedragslijn van de staatssecretaris evenmin doel treft. Overigens is van een vaste gedragslijn van de staatssecretaris om in vergelijkbare gevallen geen onvoorwaardelijk ontslag te verlenen indien de betrokkene niet eerder is gewaarschuwd, volgens de gemachtigde van de staatssecretaris geen sprake. Ook waren er ten tijde van het ontslag van verzoeker volgens de gemachtigde van de staatssecretaris geen vergelijkbare gevallen. Verzoeker heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.7.

Uit hetgeen in 4.5.1, 4.5.2 en 4.6 is overwogen volgt dat de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat de aan verzoeker opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het plichtsverzuim. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.8.

Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M. Sahin

HD