Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
12-5776 WAO-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2014:2008 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2014:507.

De intrekking van de WAO-uitkering berust op onjuiste gronden. Daarmee is ook de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen. Geen aanleiding het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige psychiater prof. dr. E. Hoencamp, en zijn aanvullende beoordeling uitgebracht op het verzoek van de Raad niet te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 februari 2014

12/5776 WAO-G, 12/5777 WAO-G, 13/5178 WAO-G, 13/6545 WAO-G

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

21 september 2012, 10/3080 en 10/4608 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft appellant op 10 september 2013 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 3) genomen.

Namens betrokkene heeft mr. Van Woerden zijn zienswijze gegeven op dit besluit.

Op 9 december 2013 heeft appellant wederom een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 4) genomen, naar aanleiding waarvan mr. Van Woerden eveneens schriftelijk heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Woerden.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is in 1990 uitgevallen wegens psychische decompensatie. Aan haar is met ingang van 11 september 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na gedeeltelijke werkhervatting in 1992 is zij in 1994 opnieuw gedecompenseerd, met als gevolg dat haar arbeidsongeschiktheid weer is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2. In 2006 heeft de verzekeringsarts aanvullende psychiatrische expertise noodzakelijk geacht ter beoordeling van de psychische belastbaarheid van betrokkene. De ingeschakelde zenuwarts professor dr. E.J. Colon heeft in zijn rapport van 18 september 2006 als meest waarschijnlijke (differentiaal)diagnose vermeld dat betrokkene lijdende is aan een progressieve en nu ernstige depressieve stoornis, met waarschijnlijk begin post partum

(10 jaar geleden) en met vitale kenmerken en mogelijk ook aanduiding van katatone verschijnselen (stupor). Colon acht langdurige klinische behandeling noodzakelijk. De - in het kader van de besluitvorming om betrokkene te verplichten haar medewerking te verlenen aan een klinische opname - bij de behandelend psychiater R.W. Jessurun ingewonnen inlichtingen, hebben zenuwarts Colon tot zijn nadere oordeelsvorming gebracht dat betrokkene bij zijn onderzoek blijkbaar bewust een onjuiste anamnese en onjuist gemanifesteerde verschijnselen heeft getoond op basis waarvan hij heeft geconcludeerd dat er bij betrokkene geen medisch objectief aantoonbare, tot arbeidsbeperkingen leidende psychiatrische aandoeningen vaststelbaar waren.

1.3. Bij appellant is vervolgens twijfel gerezen omtrent de vraag of betrokkene arbeidsongeschikt is als gevolg van ziekte. Hij heeft een onderzoek laten instellen door psychiater P.J.H. Notten. Deze heeft een diagnostische opname nodig geacht, die plaats vond in juni 2009. In zijn rapport van 21 augustus 2009 heeft psychiater Notten geconcludeerd dat geen sprake is van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld, maar van simulatie. Nadat betrokkene op 23 november 2009 op het spreekuur van de verzekeringsarts is geweest en deze op 5 februari 2010 een rapport heeft uitgebracht, heeft appellant bij besluit van 1 maart 2010 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 1 september 2006 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 25 januari 2010 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 19 juli 2010 heeft appellant de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 2006 tot en met 31 januari 2010 van betrokkene teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 1 oktober 2010 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige psychiater prof. dr. E. Hoencamp, dat er in de periode van

1 september 2006 tot en met 31 januari 2013 wel sprake was van ziekte of gebrek, aanleiding gezien de beoordeling door de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De rechtbank heeft vervolgens op basis hiervan het beroep van betrokkene tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, de (primaire) besluiten van 1 maart 2010 en

19 juli 2010 herroepen en voorts bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. De rechtbank heeft voorts bepaald dat het onderzoek in verband met gevraagde schadevergoeding wordt heropend.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte meer gewicht toekent aan de deskundigheid van psychiater Hoencamp dan aan de deskundigheid van psychiater Notten. Appellant handhaaft het standpunt dat er bij betrokkene sprake is van simulatie. Er is onvoldoende rekening gehouden met de meerwaarde van de diagnostische opname bij psychiater Notten.

3.2.

De Raad heeft op 9 juli 2013 appellant de volgende vraagstelling voorgelegd.

“In de onderhavige procedure wordt naar aanleiding van het onderzoek door de verzekeringsarts op 23 november 2009 (…) in het kader van een professionele herbeoordeling de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 1 september 2006 beëindigd. Ik verzoek u aan te geven op welke grondslag de beëindiging met terugwerkende kracht per 1 september 2006 is gebaseerd.”

3.3.

In reactie hierop heeft appellant onder verwijzing naar het rapport van psychiater Notten en verzekeringsarts Vogelsang aangegeven te blijven bij het standpunt dat er geen sprake is van ziekte of gebrek in de zin van de WAO. In verband met het feit dat het resultaat van de expertise van psychiater Notten eerst tijdens het gesprek met verzekeringsarts Vogelsang op 23 november 2009 met betrokkene is besproken en op 24 november 2009 aan betrokkene is bevestigd, wordt de WAO-uitkering echter eerst per 1 december 2009 ingetrokken.

3.4.

Appellant heeft vervolgens bij het bestreden besluit 3 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 1 maart 2010 alsnog gegrond verklaard en de WAO-uitkering per

1 december 2009 ingetrokken. Vervolgens heeft appellant bij bestreden besluit 4 het bestreden besluit 2 gewijzigd en de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering beperkt tot de periode van 1 december 2009 tot en met 31 januari 2010.

3.5.

In haar zienswijze op bestreden besluit 3 heeft betrokkene aangegeven het niet eens te zijn met de intrekking van de WAO-uitkering per 1 december 2009. Het oordeel van psychiater Hoencamp houdt in dat er ook op 1 december 2009 en vanaf die datum gerekend sprake is van ziekte of gebrek in de zin van de WAO. In reactie op bestreden besluit 4 heeft betrokkene met verwijzing naar zijn zienswijze op bestreden besluit 3 gesteld dat er geen enkele basis is voor enigerlei terugvordering.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Besluiten 3 en 4 komen niet geheel tegemoet aan het beroep van betrokkene. Deze besluiten worden, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Nu appellant zijn bestreden besluiten 1 en 2 niet heeft gehandhaafd, behoeft het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak in zoverre geen bespreking meer.

4.3.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van

1 december 2009 terecht is ingetrokken op de grond dat er bij haar op en na die datum geen sprake is van ziekte of gebrek. Wordt deze vraag bevestigend beantwoord dan moet worden beoordeeld of de terugvordering van de aan betrokkene betaalde uitkering over de periode van 1 december 2009 tot en met 31 januari 2010 terecht is.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad voldoende aanleiding om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

4.4.1.

Het deskundigenrapport van psychiater Hoencamp geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van de door appellant ingeschakelde psychiater Notten is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. In dit verband wijst de Raad er allereerst op dat ten aanzien van de psychische klachten van betrokkene in de voorbije jaren verschillende verzekeringsartsen, psychiaters en deskundigen rapporten hebben uitgebracht waarbij ook niet steeds dezelfde diagnoses zijn gesteld. Zo werd in 1990 gesproken van een hyperesthetisch emotioneel syndroom, in 1994 van een neurotische depressie, haar sedert meer dan 10 jaar behandelend psychiater heeft de diagnoses depressie, PTSS en pijnstoornis gehanteerd en zenuwarts Colon spreekt in zijn rapport van 2006 van een ernstige depressieve stoornis. Psychiater Hoencamp komt in zijn rapport van september 2011 tot de conclusie dat van 2006 tot 31 januari 2010 sprake was van een dysthyme stoornis, die fluctueert, een diagnose die overigens blijkens de brief van behandelend psychiater Jessurun van 7 december 2007 destijds ook door

professor dr. F. Jessurun was gesteld.

4.4.2.

Uit verschillende rapporten en brieven, waarin de betreffende diagnoses zijn vermeld, wordt die fluctuatie in betrokkenes toestandsbeeld bevestigd. Psychiater Jessurun spreekt van een wisselend ziektebeloop, verzekeringsarts Vogelsang vermeldt in zijn rapport van

25 augustus 2006 dat betrokkene een futloze, afwezige indruk maakt. Psychiater Nottten vermeldt dat betrokkene in vergelijking met de testen bij zenuwarts Colon duidelijk beter presteert. In de gegevens daarna komt, zoals psychiater Hoencamp beschrijft, naar voren: een afwerende vrouw, die weinig of niets weet, niet coöperatief is en bovenal de indruk wekt dat het leven voor haar te moeilijk, te zwaar is.

4.4.3.

Uit het rapport van psychiater Hoencamp blijkt dat hij na eigen onderzoek en kennisneming van het rapport van psychiater Notten, met beschrijving van de observatiegegevens en beoordeling, en met kennisneming van de (medische) gegevens in het dossier en van de bij de huisarts en behandelend psychiater ingewonnen informatie tot zijn beoordeling is gekomen. Dat hij bij betrokkene geen ernstige psychopathologie in de zin van psychotische stoornissen en/of cognitieve stoornissen heeft waargenomen doet er niet aan af dat hij, ook in zijn nadere toelichting naar aanleiding van de reacties van psychiater Notten en de bezwaarverzekeringsarts, zijn conclusie gemotiveerd handhaaft dat sprake is van ziekte.

4.4.4.

Appellant heeft met verwijzing naar de bevindingen van psychiater Notten de conclusie getrokken dat sprake moet zijn van simulatie. Psychiater Hoencamp heeft evenwel in zijn rapport als reactie daarop benadrukt dat simulatie niet impliceert dat er geen (psycho)pathologie is.

4.5.

Gelet op hetgeen in 4.4 tot en met 4.4.4 is overwogen, wordt appellant niet gevolgd in zijn ingenomen standpunt dat de bevindingen en conclusies van de ingeschakelde deskundige Hoencamp onvoldoende zijn onderbouwd.

4.6.

Uit 4.4 tot en met 4.5 vloeit voort dat de intrekking van de WAO-uitkering op onjuiste gronden berust. Daarmee is ook de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen. Het hoger beroep slaagt niet en de bestreden besluiten 3 en 4 moeten worden vernietigd.

5.

Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.748,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

6.

Van appellant wordt op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt de besluiten van 10 september 2013 en 9 december 2013;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.748,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) E. Heemsbergen

QH