Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
12-734 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering. Onvoldoende gronden om bij betrokkene op medische gronden volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Voldoende arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/734 WIA

Datum uitspraak: 13 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

21 december 2011, 11/2404 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.S. Florijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Namens betrokkene is mr. Florijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft zich vanuit de situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontving per 27 mei 2008 ziek gemeld met longklachten en klachten van moeheid. Nadien is bij haar de diagnose Langerhans Cel Histiocytose (LCH) gesteld. Een verzekeringsarts heeft na onderzoek geconcludeerd dat betrokkene beschikt over benutbare mogelijkheden en heeft beperkingen vastgesteld, waaronder een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week. Een arbeidsdeskundige heeft (parttime) functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene geschat op 35 tot 80%.

1.2. Bij besluit van 8 december 2010 heeft appellant betrokkene met ingang 25 mei 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Bij besluit van 8 juni 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene met verwijzing naar de rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene, het primaire besluit van 8 december 2010 herroepen voor zover dat ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene, bepaald dat betrokkene met ingang van 25 mei 2010 recht heeft op een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en beslissingen gegeven over proceskostenveroordeling en de vergoeding van griffierecht.

2.2. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat betrokkene op en na 25 mei 2010 niet in staat was tot het verrichten van arbeid in loondienst. Gezien de bij haar gestelde diagnose LCH moet het aannemelijk worden geacht dat zij ten tijde hier van belang (nog steeds) in een zodanig ernstige mate leed aan pijn en vermoeidheid dat zij in het geheel niet in staat was om dergelijke arbeid te verrichten. In het onderhavige geval kan gerede twijfel bestaan over het punt of het hier zou gaan om een (bepaalde mate van) subjectieve beleving van klachten en beperkingen. Nu er een zeer duidelijk medisch substraat aanwijsbaar is bij de door betrokkene aangegeven klachten, ziet de rechtbank onvoldoende grond om die twijfel in het nadeel van betrokkene te laten werken.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er onvoldoende grond is om medisch volledige arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Van een zeer duidelijk medisch substraat bij de door betrokkene aangegeven klachten is namelijk geen sprake.

3.2. In het verweerschrift heeft betrokkene aangevoerd dat zij niet alleen ten gevolge van haar ziekte LCH maar ook vanwege haar psychische klachten geen benutbare mogelijkheden heeft. Als de Raad haar daarin niet volgt, verzoekt zij een deskundigenonderzoek.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De verzekeringsarts heeft ten behoeve van het onderzoek het dossier bestudeerd, waaronder gegevens van de behandelende longarts en internist, en gegevens uit het door haar zelf verrichte onderzoek. In haar rapport van 4 november 2010 heeft de verzekeringsarts vastgesteld, mede gelet op het schrijven van de longarts van 20 augustus 2010, dat de LCH onder andere pulmonale localisaties had, die verdwenen waren nadat betrokkene gestopt was met roken. Bij verder onderzoek werden aandoeningen gevonden waardoor onder andere de moeheid en de huidafwijkingen verklaard konden worden. Een verklaring voor het feit dat betrokkene daarmee tot geen enkele bezigheid in staat kan worden geacht geven de gevonden aandoeningen echter niet. Er kan dan ook niet gesteld worden dat er sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts heeft vervolgens een Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld (FML). In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts eveneens dossierstudie verricht en betrokkene gesproken op de hoorzitting. Hem is niet gebleken dat er bij het primaire onderzoek medische aspecten onderbelicht zijn gebleven. Voor het aannemen van meer beperkingen kon hij in de voorhanden medische stukken geen steun vinden. Aan de energetische klachten is volgens de bezwaarverzekeringsarts ruimschoots tegemoet gekomen door het stellen van beperkingen ten aanzien van fysieke belasting in combinatie met een beperking ten aanzien van de duurbelasting. Naar aanleiding van het beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts er nog op gewezen dat betrokkene vanwege de psychosomatische (spannings)klachten door de verzekeringsarts geschikt is geacht voor psychisch weinig belastend werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en zonder hoog handelingstempo. Tijdens de hoorzitting waren er geen aanwijzingen voor een actueel psychisch toestandsbeeld; van een depressieve stoornis was geen sprake.

4.1.2. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen naar de klachten en beperkingen van betrokkene op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden dan wel dat niet alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot haar gezondheidstoestand ten tijde in geding in de beoordeling zijn betrokken. Evenmin bestaat twijfel aan de door de verzekeringsartsen uit hun onderzoeken getrokken conclusies ten aanzien van de vastgestelde beperkingen. Inzichtelijk is gemotiveerd dat op objectieve gronden geen reden bestaat om meer of zwaardere beperkingen aan te nemen dan in de FML is vastgelegd. In de beschikbare medische gegevens zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden. Evenmin heeft betrokkene medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen.

4.1.3. De Raad volgt ook de beschouwing en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts in haar bij het hogerberoepschrift gevoegde rapport van 25 januari 2012. Met verwijzing naar haar eerdere rapporten heeft de bezwaarverzekeringsarts er nog eens op gewezen dat betrokkene al jaren (na 2008/09) niet onder behandeling of controle is bij longarts of een andere specialist en dat zij geen medicatie gebruikt. De aandoening was spontaan genezen en de eerder vastgestelde diagnose LCH leidde bij betrokkene niet tot het vaststellen van beperkingen op de datum in geding. Aan de diagnose LCH zijn de vermoeidheidsklachten niet met zekerheid toe te schrijven. Met deze diagnose zijn de vermoeidheidsklachten niet geobjectiveerd. Betrokkene heeft aspecifieke klachten; zij heeft vermoeidheidsklachten zonder organisch substraat. Bij haar bestaat een subjectieve beleving van moeheid. Met de door betrokkene ervaren aspecifieke klachten is met de vastgestelde forse beperkingen in voldoende mate rekening gehouden. Hierbij is rekening gehouden met de Standaard Verminderde Arbeidsduur. De bezwaarverzekeringsarts heeft haar standpunt gehandhaafd dat er geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden.

4.1.4. De Raad concludeert met het Uwv dat er onvoldoende gronden zijn om bij betrokkene op medische gronden volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is van een zeer duidelijk medisch substraat bij de door betrokken aangegeven klachten geen sprake.

4.2. Hetgeen betrokkene in het verweerschrift heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel over de medische grondslag. Uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen komt naar voren dat rekening is gehouden met de psychosomatische (spannings)klachten van betrokkene. In haar rapport van 10 april 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van het gestelde in het verweerschrift van betrokkene gesteld dat bij betrokkene geen sprake was van een ernstige psychische stoornis. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts hierin. Ook in hoger beroep heeft betrokkene geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat deze klachten tot meer beperkingen zouden moeten leiden. Hieruit volgt dat geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een medisch deskundige.

4.3. Door haar oordeel is de rechtbank niet toegekomen aan de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zijn de aan de schatting uiteindelijk ten grondslag gelegde functies voor betrokkene passend te achten. Met de arbeidskundige rapporten is voldoende gemotiveerd dat de belasting in de functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt. De verdiensten in deze functies resulteren in een verlies aan verdiencapaciteit van 35 tot 80%.

4.4. Uit rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juni 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en D.J. van der Vos en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) E. Heemsbergen

IJ