Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
13-3525 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven tot herziening van de jegens appellant tot stand gebrachte besluitvorming. Herzieningsverzoeken die betrekking hebben op de tweede-generatieproblematiek komen voor zover afkomstig van iemand uit de bepaalde categorie van personen, nog slechts voor toewijzing in aanmerking als sprake is van een aperte, verweerder te verwijten fout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 juni 2014

13/3525 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Verenigde Staten (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 april 2013, kenmerk BZ01572153 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2014. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant, geboren in 1939, heeft in 2000 een aanvraag ingediend krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag is op verzoek van appellant omgezet in een aanvraag krachtens de Wuv. Op 30 juli 2002 is de aanvraag afgewezen. Niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Wel is vastgesteld dat de vader van appellant vervolging heeft ondergaan. Daarom is ook onderzocht of het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn de Wuv in het geval van appellant niet toe te passen. Dit onderzoek heeft niet geleid tot een voor appellant gunstig resultaat, omdat geen ziekten of gebreken aanwezig zijn geacht die in overwegende mate met de vervolging van de vader in verband zijn te brengen. Appellant heeft geen bezwaar tegen dit besluit gemaakt.

1.1.

In 2005 heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 30 juli 2002. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 6 juli 2005. Appellant heeft ook tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.2.

In september 2012 heeft appellant opnieuw verzocht om herziening van het besluit van

30 juli 2002. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 7 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2.

Appellant heeft gewezen op het feit dat zijn drie zusters een uitkering ontvangen krachtens de Wubo. Hij heeft benadrukt evenzeer te hebben geleden als zijn zusters. Hij begrijpt niet waarom hij wordt geconfronteerd met afwijzingen.

2.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.2.

Appellant is woonachtig in de Verenigde Staten en heeft in 1966 de nationaliteit van dat land aangenomen. Naar verweerder ter zitting van de Raad heeft bevestigd, is dat de reden geweest waarom er in zijn geval destijds, in 2000, voor is gekozen zijn aanvraag krachtens de Wubo om te zetten in een aanvraag krachtens de Wuv. Het toepassingsbereik van de Wubo beperkt zich immers in beginsel tot personen met de Nederlandse nationaliteit. De Wuv kent deze beperking niet.

2.3.

De Wuv ziet enkel op de oorlogsjaren 1940-1945. Ervaringen uit de Bersiapperiode kunnen dus niet leiden tot erkenning als vervolgde in de zin van die wet. In het geval de Wubo wordt toegepast, kunnen ervaringen uit de Bersiapperiode wel meewegen. Deze wet ziet mede op de ongeregeldheden die zich in de na-oorlogse jaren, nauw aansluitend aan de oorlog, in het voormalige Nederlands-Indië hebben voorgedaan.

2.4.

Dat jegens appellant anders is beslist dan jegens zijn zusters heeft, voor zover uit de gedingstukken kan worden opgemaakt, te maken met de onder 2.2 en 2.3 omschreven verschillen tussen Wuv en Wubo.

2.5.

Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding hadden moeten geven tot herziening van de jegens appellant tot stand gebrachte besluitvorming. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de medische beoordeling die is verricht in verband met de vervolging van de vader van appellant, is uitgevoerd in het kader van de tweede-generatieproblematiek. Op 1 januari 2002 is een einde gekomen aan de beleidslijn van verweerder om deze problematiek, niettegenstaande de sluiting van de wet voor de tweede generatie in 1994, ten aanzien van personen die zijn geboren vóór het einde van de Tweede Wereldoorlog nog in de beoordeling mee te nemen. Herzieningsverzoeken die betrekking hebben op de tweede-generatieproblematiek komen daarom ook voor zover afkomstig van iemand uit de genoemde categorie van personen, nog slechts voor toewijzing in aanmerking als sprake is van een aperte, verweerder te verwijten fout. De Raad heeft het beleid van verweerder op de genoemde punten aanvaardbaar bevonden. In zoverre is dus te minder gebleken van een aanleiding om tot herziening van de eerdere besluitvorming over te gaan.

2.6.

Het beroep is ongegrond.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van

C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

12 juni 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD