Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
12-6034 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden. Er is sprake van een zodanig conflict, dat in redelijkheid niet anders meer kon worden geconcludeerd dan dat voortzetting van het dienstverband onmogelijk was geworden. Geen sprake van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan. Met het bedrag ineens dat aan appellant boven de minimumregeling is toegekend, is hij niet tekort gedaan. Getuigenverhoor is niet bedoeld om een getuige publiekelijk op zijn gedrag aan te spreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/107
AB 2014/455 met annotatie van Y.E. Schuurmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6034 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

5 oktober 2012, 12/953 en 12/1423 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.M. Thissen en H.B. Boon van Ostade.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is per 1 januari 1983 aangesteld bij de gemeente [naam gemeente]. Op grond van een vaststellingsovereenkomst is hij met ingang van 1 april 2008 aangesteld in vaste dienst, met de status van herschikker, bij de gemeente Nijmegen. Hij was daar eerst werkzaam bij het [Naam afdeling A.] ([afdeling A.]). Later is hij overgeplaatst als [naam functie] naar het[naam afdeling B.] ([afdeling B.]).

1.2.

Op 2 november 2010 heeft een overleg plaatsgevonden tussen appellant en M, zijn direct leidinggevende bij [afdeling B.]. Bij die gelegenheid heeft M voor appellant onverwacht kritiek op houding en gedrag van appellant aan de orde gesteld. De wijze waarop appellant reageerde heeft M aanleiding gegeven het gesprek te beëindigen en de kamer te verlaten. Op 9 november 2010 heeft een vervolggesprek met M plaatsgevonden in aanwezigheid van het bureauhoofd handhaving W. Na afloop van dit gesprek heeft W opgemerkt dat het van sportiviteit zou getuigen indien appellant niet alleen hem maar ook M een hand zou willen geven. Appellant heeft hierop geantwoord dat hij M, indien zij zou willen, ook wel een kus wilde geven. Op (15 of) 16 november 2010 heeft M, in bijzijn van P&O-adviseur R, appellant meegedeeld dat zij met hem geen constructief gesprek kan voeren, dat zij niet gediend is van de wijze waarop hij haar heeft aangesproken, dat hij haar niet eens laat uitspreken en dat hij met zijn slotopmerking van 9 november haar grenzen dusdanig heeft overschreden dat zij geen kansen meer ziet op een goede samenwerking of een goed functioneren van appellant. Appellant is vervolgens naar huis gestuurd.

1.3.

Bij besluit van 1 juni 2011 heeft het college, met toepassing van artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Nijmegen (AGN), aan appellant ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij besluit van 8 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college dit ontslagbesluit herroepen en in plaats daarvan aan appellant per 1 februari 2012 ontslag verleend op andere gronden, als bedoeld in artikel 8:8 van de AGN.

1.4.

Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het college een beoordeling van het functioneren van appellant over de periode van 1 juli 2010 tot 1 december 2010 vastgesteld. Bij besluit van 12 april 2012 is het hiertegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 12 april 2012 mede op inhoudelijke gronden gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3.

In hoger beroep is de beoordeling van 13 oktober 2011 niet meer aan de orde. Deze wordt door partijen als vervallen beschouwd. Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op het ontslag op grond van artikel 8:8 van de AGN. De Raad overweegt daarover als volgt.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak kan een ontslaggrond zoals neergelegd in artikel 8:8 van de AGN worden toegepast als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd (CRvB 7 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:

BK0290).

3.2.

Deze situatie doet zich hier voor. Nadat al eerder kritiek was geuit op houding en gedrag van appellant bij [afdeling A.], hebben de onder 1.2 omschreven gebeurtenissen bij [afdeling B.] de verhoudingen tussen partijen op scherp gezet. Het confict heeft zich vervolgens verbreed en verdiept - de Raad komt hierop nog terug op zodanige wijze dat in ieder geval ten tijde van het bestreden besluit in redelijkheid niet anders meer kon worden geconcludeerd dan dat voortzetting van het dienstverband onmogelijk was geworden. De wens van appellant om naar de gemeente Nijmegen terug te keren in zijn oude functie of desnoods op een andere plek kan na alles wat er is gebeurd, gezegd en geschreven niet meer als realistisch worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden staan ook de vaststellingsovereenkomst en de status van herschikker niet meer aan ontslag in de weg.

3.3.

Aan een ontslag op grond van artikel 8:8 van de AGN dient een passende financiële regeling te worden verbonden. Hiertoe heeft het college bij het bestreden besluit aan appellant een aanspraak toegekend op de aanvullende en na-wettelijke werkloosheidsuitkering als vermeld in hoofdstuk 10d van de AGN. Daarmee is voldaan aan de minimumeisen die de Raad in het algemeen aan zo'n regeling stelt (CRvB 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB: 2009:BJ7006). Daar bovenop neemt het college kosten van re‑integratie voor zijn rekening en heeft het aan appellant een uitkering ineens betaald van € 10.000, bruto.

3.4.

Voor de vraag of het college met deze extra toekenningen kon volstaan, is het volgende van belang. Volgens vaste rechtspraak is een uitkeringsregeling op minimumniveau alleen dan onvoldoende, als komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of als een uitkering op dat niveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht (CRvB 9 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173). Recente ontwikkelingen in de rechtspraak over de ontslagvergoeding maken dit niet anders. Ook daarin is als drempel voor een extra toekenning gehandhaafd dat sprake moet zijn van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan (CRvB 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043).

3.5.

In dit geval hebben partijen in gelijke mate aandeel gehad in het ontstaan en het voortbestaan van het conflict. Aan appellant valt te verwijten dat hij op 2 november 2010 geen kennis heeft willen nemen van de aanmerkingen die zijn leidinggevende M heeft geuit over zijn functioneren. Aannemelijk is dat hij in de veronderstelling verkeerde dat gesproken zou worden over meer afwisseling in zijn taken en dat hij zich door de plotselinge kritiek overvallen voelde. Maar de kritiek lag wel in het verlengde van het gespreksonderwerp: appellant zou zijn functioneren moeten verbeteren om voor een uitbreiding van zijn taken in aanmerking te komen. Dat appellant de kritiek als onrechtvaardig voelde, gaf hem niet het recht om zich ervoor af te sluiten, en zeker niet op een wijze zoals hij heeft gedaan. Het behoort nu eenmaal tot de bevoegdheden van een leidinggevende om de ambtenaar aan te spreken op houding, gedrag en functioneren. Het herhaaldelijk onderbreken en overstemmen van de leidinggevende is geen passende reactie. Uit het feit dat appellant op 3 november contact met M heeft opgenomen, leidt de Raad af dat hij ook zelf het gevoel had dat hij het gesprek op 2 november had laten ontsporen. Aan M valt vervolgens te verwijten dat zij pas op 9 november op de kwestie is teruggekomen en dat zij appellant in de tussentijd heeft genegeerd. Er is ook geen goede reden naar voren gekomen waarom zij zoveel aanstoot heeft genomen aan de slotopmerking van appellant op 9 november als zij heeft gedaan. Die opmerking was onhandig en had achterwege moeten blijven, maar van een seksuele of beledigende strekking is niet gebleken. Het college heeft de Raad niet duidelijk kunnen maken waarom nu juist met het gebeurde op 9 november voor appellant het doek moest vallen. Ook is bedenkelijk dat M nadien nog wel een slechte beoordeling over appellants functioneren op schrift heeft gesteld, maar niet bereid is gebleken om daarover met hem het voorgeschreven beoordelingsgesprek te voeren. De opvatting van appellant dat M door het college te zeer uit de wind is gehouden, is alles bij elkaar niet zonder grond. Daar staat echter tegenover dat bij appellant sprake is van doorgaand gedrag met een duidelijk patroon. Hij heeft grote moeite om kritiek of tegenspraak te accepteren en reageert daarop met zodanige heftigheid dat men niet meer met hem wil samenwerken. Door na 16 november 2010 allerlei functionarissen, tot de wethouder aan toe, te (blijven) bestoken met vaak zeer uitvoerige betogen en eisen, heeft hij zijn positie binnen de gemeente Nijmegen definitief onhoudbaar gemaakt. Dat hij zich boos en machteloos voelde, valt op zichzelf te begrijpen, maar de grenzen van een gerechtvaardigde verdediging zijn hier ruimschoots overschreden.

3.6.

Aan de onder 3.4 omschreven maatstaf is dus niet voldaan. Met het bedrag ineens dat aan appellant boven de minimumregeling is toegekend, is hij niet tekort gedaan.

3.7.

Appellant heeft uitdrukkelijk verzocht om M, die niet vrijwillig heeft willen verschijnen, op te roepen als getuige. De Raad ziet daarvoor geen aanleiding. In het vorenstaande is de Raad op punten waar nog enige twijfel zou kunnen bestaan uitgegaan van de lezing die appellant zelf van de feiten heeft gegeven. Door niet te verschijnen, heeft M zichzelf de mogelijkheid ontnomen om daar een andersluidende visie tegenover te stellen. Onder deze omstandigheden is niet in te zien dat appellant uit een oogpunt van waarheidsvinding die hier beperkt moet blijven tot de kwestie van het ontslag nog enig redelijk belang heeft bij het horen van M als getuige. Wat appellant in wezen wil, is M publiekelijk aanspreken op haar gedrag. Daarvoor is een getuigenverhoor echter niet bedoeld. Het verzoek is afgewezen. Hiervan is reeds schriftelijk aan appellant mededeling gedaan.

3.8.

Het verzoek om de betrokken P&O-medewerkers als getuigen te horen, is om overeenkomstige redenen afgewezen. Overigens is het hoofd P&O ter zitting namens verweerder mede verschenen en heeft hij in die hoedanigheid vragen beantwoord.

3.9.

Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) B. Rikhof

HD