Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
13-4142 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de Wuv. De huidige psychische klachten kunnen gediagnosticeerd worden als kenmerken van PTSS en nu wel het niveau bereiken van een ziekte of gebrek, maar in zijn geheel nog onvoldoende zijn om van het redelijkerwijs in causaal verband staan met het omkomen van de vader te kunnen spreken. Er zijn geen medische gegevens voorhanden die aan dit standpunt doen twijfelen. In beroep is weliswaar een behandelovereenkomst van het Sinaïcentrum overgelegd, maar daaraan kan geen medisch inzicht worden ontleend in de aard of oorzaak van de bij appellant aanwezige klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4142 WUV

Datum uitspraak: 12 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 juni 2013, kenmerk BZ01551644 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2014. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door A.J. Bloch als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1937, heeft in juli 2003 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv. Deze is afgewezen bij besluit van 15 april 2004. In dat verband is overwogen dat niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Verder heeft het fusilleren van de vader van appellant verweerder er niet toe gebracht appellant met de vervolgde gelijk te stellen, omdat bij appellant geen ziekten of gebreken zijn geconstateerd die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader. De maagklachten en tremor aan de handen van appellant zijn naar het oordeel van verweerder door andere oorzaken ontstaan. Blijkens de gedingstukken ligt daaraan ten grondslag het medisch advies van de arts P. Windels, die zijn advies heeft gebaseerd op het door de arts R.J. Roelofs bij appellant verrichte medisch onderzoek. Tegen genoemd besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2.

In augustus 2012 is namens appellant opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wuv. Het verzoek is afgewezen bij besluit van 2 november 2012, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die aanleiding geven het besluit van 15 april 2004 te herzien.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Voorop wordt gesteld dat met instemming van (de gemachtigde van) appellant de brief van augustus 2012 door verweerder in behandeling is genomen als een (medisch) herzieningsverzoek ten aanzien van de weigering om appellant met de vervolgde gelijk te stellen. Dat brengt mee dat de gedane verwijzingen naar de eigen ervaringen van appellant tijdens de oorlog bij onderhavige beoordeling buiten beschouwing moeten blijven.

2.2.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of er nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

2.3.

Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. De gehandhaafde weigering van verweerder om appellant met de vervolgde gelijk te stellen berust in hoofdzaak op een persoonlijk onderhoud met appellant door de arts G.L.G. Kho. Deze arts concludeert dat de huidige psychische klachten gediagnosticeerd kunnen worden als kenmerken van PTSS en nu wel het niveau bereiken van een ziekte of gebrek, maar in zijn geheel nog onvoldoende zijn om van het redelijkerwijs in causaal verband staan met het omkomen van de vader te kunnen spreken. Er zijn geen medische gegevens voorhanden die aan dit standpunt doen twijfelen. In beroep is weliswaar een behandelovereenkomst van het Sinaïcentrum overgelegd, maar daaraan kan geen medisch inzicht worden ontleend in de aard of oorzaak van de bij appellant aanwezige klachten.

2.4.

Gelet op het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de onder 2.2 omschreven terughoudende toets doorstaan. Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van

C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD