Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
13-99 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Hieraan heeft het college terecht ten grondslag gelegd dat appellant vanaf de datum waarop de ontheffing van de arbeidsverplichting is beëindigd niet langer met behoud van bijstand buiten Nederland kan verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/99 WWB

Datum uitspraak: 10 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

28 november 2012, 12/5866 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft appellant van 22 december 2010 tot en met 21 december 2011 ontheffing verleend van arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB.

1.2.

Appellant heeft van 26 mei 2011 tot en met 21 juli 2011 met behoud van bijstand in Turkije verbleven. Op 4 december 2011 is appellant opnieuw naar Turkije afgereisd. Na zijn terugkeer in Nederland heeft hij zich op 30 januari 2012 opnieuw gemeld bij het college.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juni 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van

22 december 2011 tot en met 29 januari 2012 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.114,52 van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf de datum waarop de ontheffing van de arbeidsverplichting is beëindigd (22 december 2011) niet langer met behoud van bijstand buiten Nederland kan verblijven, zodat hij over de periode van

22 december 2011 tot en met 29 januari 2012 geen recht heeft op bijstand.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid.

4.2.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2012, heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland geen recht op bijstand.

4.3.

Ingevolge artikel 13, vierde lid, aanhef en onder a van de WWB, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2012, geldt in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, voor personen jonger dan 65 jaar, aan wie op grond van artikel 9, tweede lid, ontheffing is verleend van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, een periode van

13

weken.

4.4.

Volgens het beleid van het college mag een periode van verblijf in het buitenland met behoud van bijstand aansluitend worden voortgezet in een volgend kalenderjaar. Een dergelijke periode van aaneengesloten verblijf in het buitenland mag echter niet langer zijn dat de voor de betrokkene toegestane periode per kalenderjaar.

4.5.

Vaststaat dat appellant vanaf 22 december 2011 niet langer door het college was ontheven van arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. De stelling van appellant dat het college hem na 22 december 2011 geen arbeids- of

re-integratieverplichtingen heeft opgelegd en hij dus feitelijk nog steeds was ontheven van de arbeidsverplichtingen, kan niet worden gevolgd. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG7978), vloeit uit artikel 9, eerste lid, van de WWB voort dat de daarin opgenomen verplichtingen inzake de arbeidsinschakeling van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Uitzondering daarop kan slechts worden gemaakt door met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB een tijdelijke ontheffing van die verplichtingen te verlenen wanneer in een individueel geval dringende redenen daartoe aanleiding geven. Dit betekent dat artikel 13, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB vanaf 22 december 2011 niet langer op appellant van toepassing was. Daarom was, anders dan appellant heeft gesteld, het overgangsrecht, zoals per 1 januari 2012 in artikel 78q van de WWB was geregeld, evenmin op hem van toepassing.

4.6.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB mocht appellant in verband met de beëindiging van ontheffing van de arbeidsverplichting per 22 december 2011 niet langer dan vier weken per kalenderjaar verblijf houden buiten Nederland. Aangezien appellant in 2011 al eerder vier weken met behoud van bijstand in het buitenland had verbleven, was het hem niet toegestaan om vanaf 22 december 2011 nog langer met behoud van bijstand buiten Nederland te verblijven.

4.7.

Aan de omstandigheid dat appellant met instemming van zijn bijstandsconsulente zijn mogelijkheden voor uitstroom uit de bijstand door remigratie mocht onderzoeken en daarvoor eventueel mocht reizen naar het buitenland, kon appellant niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat zijn verblijf in het buitenland vanaf 22 december 2011 zonder consequenties voor zijn uitkering zou blijven. De vorengenoemde afspraken tussen appellant en zijn bijstandsconsulente worden weliswaar niet betwist door het college, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn bijstandsconsulente daartoe uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan. Daarbij kan in het midden blijven of een bijstandsconsulente bevoegd is namens het college dergelijke toezeggingen te doen. Gelet hierop heeft de rechtbank het verzoek van appellant om zijn bijstandsconsulente te horen als getuige over de gemaakte afspraken, kunnen afwijzen.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat appellant op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB over de periode van 22 december 2011 tot en met 29 januari 2012 geen recht had op bijstand. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de bijstand van appellant over deze periode in te trekken, onderscheidenlijk de gemaakte kosten van bijstand over die periode van hem terug te vorderen. Appellant heeft tegen de gebruikmaking van deze bevoegdheden en de hoogte van de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze buiten bespreking worden gelaten.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

HD