Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
12-2791 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning IOAW-uitkering met ingang van de 25 februari 2011, de datum waarop appellant zich had gemeld. Geen grond om te oordelen dat het college op grond van bijzondere omstandigheden aan appellant een IOAW-uitkering had moeten verlenen voorafgaand aan de melding op 25 februari 2011.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 43
Participatiewet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/265 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2791 NIOAW

Datum uitspraak: 27 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2012, 11/5242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Yasar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Jongejan, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Bok.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant, geboren [in]1953, ontving van 1 januari 2004 tot 9 januari 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 22 december 2006 heeft hij zich gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij een afspraak is gemaakt voor een uitkeringsintake bij de gemeentelijke Sociale Dienst op 2 januari 2007. Appellant heeft deze afspraak die dag telefonisch afgezegd en daarbij te kennen gegeven af te zien van het maken van een nieuwe afspraak. Op 25 februari 2011 heeft appellant zich bij het UWV werkbedrijf gemeld om een uitkering aan te vragen. Op 24 maart 2011 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) met ingang van 9 januari 2007.

1.3.

Bij besluit van 28 april 2011 heeft het college appellant een IOAW-uitkering toegekend met ingang van 25 februari 2011, de datum waarop appellant zich had gemeld. Daarbij is de aanvraag om een IOAW-uitkering toe te kennen vanaf 9 januari 2007 afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 27 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen het besluit van 28 april 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maakten dat appellant niet in staat was de aanvraag in te dienen. Appellant heeft op 2 januari 2007 de afspraak voor het indienen van een aanvraag afgebeld en geen gegevens verstrekt op basis waarvan zijn recht op bijstand of IOAW kon worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de IOAW stelt het college het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de IOAW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de betrokkene zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 29 januari 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BC3929), brengt artikel 16a, eerste lid, van de IOAW mee dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij op 22 december 2006 te horen heeft gekregen dat hij op 2 januari 2007 een intakegesprek zou hebben om een uitkering op grond van de WWB aan te vragen en dat daarbij rekening wordt gehouden met zijn koopwoning. Hem is meermaals te kennen gegeven dat het aanvragen van een WWB-uitkering zinloos is, omdat hij eerst zijn koopwoning moet “opeten”. Om die reden heeft appellant de afspraak van 2 januari 2007 afgezegd en heeft hij afgezien van het maken van een nieuwe afspraak. Door het CWI is indertijd niet onderkend dat appellant in aanmerking zou kunnen komen voor een

IOAW-uitkering, waarbij geen rekening wordt gehouden met het vermogen van appellant. Volgens appellant heeft het CWI hem daardoor verkeerd en onvolledig voorgelicht. Dat appellant zijn aanvraag niet heeft doorgezet op basis van onjuiste informatie is een bijzondere omstandigheid die toekenning van de IOAW-uitkering met terugwerkende kracht, vanaf datum beëindiging WW-uitkering, 9 januari 2007, rechtvaardigt.

4.3.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat het college op grond van bijzondere omstandigheden aan appellant een IOAW-uitkering had moeten verlenen voorafgaand aan de melding op 25 februari 2011. Door de afspraak van

2 januari 2007 af te zeggen en geen nieuwe afspraak te willen maken is appellant er zelf verantwoordelijk voor dat zijn recht op een IOAW-uitkering niet kon worden vastgesteld. Dat dit zou zijn ingegeven door onvolledige en/of onjuiste inlichtingen van het CWI, dient onder deze omstandigheden voor rekening en risico van appellant te blijven. Hierbij is mede van belang dat appellant vervolgens geruime tijd heeft gewacht en zich eerst op 25 februari 2011 opnieuw heeft gemeld.

4.4.

Gelet op 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

HD