Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
14-1631 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Er zijn geen concrete gegevens naar voren gekomen die erop wijzen dat appellant in de hier te beoordelen periode beschikte over middelen die hij voor het dagelijks bestuur heeft verzwegen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/174
USZ 2014/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1631 WWB

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 11 februari 2014, 13/8230 en 14/10 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Wolleswinkel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2014. Voor appellant is verschenen mr. Wolleswinkel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

G.J. van Bussel.

OVERWEGINGEN.

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 13 oktober 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft zich op 10 juli 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand. De aanvraag is op 2 augustus 2013 ingediend.

1.2.

Bij brief van 5 augustus 2013 heeft het dagelijks bestuur appellant verzocht om voor

9 september 2013 de volgende gegevens te verstrekken:

- alle bankafschriften van alle bankrekeningen van de periode van 10 april tot en met

10 juli 2013;

- controleerbare en verifieerbare bewijsstukken van welke middelen appellant in de periode van 13 oktober 2009 tot heden in zijn levensonderhoud heeft voorzien;

- van de voormalige huurder, de heer [naam voormalig huurder], persoonsgegevens, huur- en betalingsafspraken en bewijs huurontvangsten;

- verkoopgegevens betreffende een auto (Mercedes) in juni 2010.

Op 6 september 2013 heeft appellant diverse gegevens verstrekt.

1.3.

Bij besluit van 9 september 2013 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet heeft kunnen aantonen of aannemelijk kunnen maken hoe hij in de periode vanaf 13 oktober 2009 in zijn primaire levensbehoeften heeft voorzien. Dit besluit is mede gebaseerd op een analyse van inkomsten en uitgaven van appellant over de periode vanaf oktober 2009.

1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 9 september 2013 bezwaar gemaakt. Hangende de behandeling van dat bezwaar heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank bij uitspraak van 27 november 2013 het verzoek van appellant tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat het dagelijks bestuur aan appellant met ingang van

30 oktober 2013 een voorschot op de bijstand toekent naar de voor hem geldende norm tot en met zes weken na de dag dat op het bezwaar van appellant is beslist. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant heeft verklaard dat hij met middelen uit onderhuur, leningen van familie, door mee te eten bij familie, door betaling van vaste lasten door familieleden en door de opbrengst van de verkoop van een auto in zijn levensonderhoud heeft voorzien, dat onweersproken sprake is van een forse schuldenproblematiek en dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode hier van belang verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

1.5.

Bij besluit van 18 november 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.6.

Appellant heeft op 2 oktober 2013 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. In het kader van het onderzoek van deze aanvraag heeft de sociale dienst een huisbezoek bij appellant afgelegd, waarbij appellant geen toegang heeft verleend tot de bij zijn woning behorende schuur en verder is geconstateerd dat appellant heeft geadverteerd op het internet met een grote partij tweedehands kleding en schoenen. Appellant heeft voor het een en ander wel een verklaring afgelegd, maar het dagelijks bestuur heeft gelet op het resultaat van het onderzoek ook deze aanvraag afgewezen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er thans een concrete indicatie is dat de door appellant geschetste weergave van de wijze waarop hij in de periode voorafgaand aan de in geding zijnde aanvraag in zijn bestaansmiddelen heeft voorzien niet juist is. Er is sprake van een discrepantie tussen de stelling dat appellant een kostganger had en het waterverbruik in de betreffende periode. De stelling van appellant dat hij een kostganger had die hem maandelijks € 500,- betaalde, wat hem mede in staat stelde in zijn levensonderhoud te voorzien, is daardoor discutabel geworden. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat hij niet in strijd met de waarheid heeft verklaard. Hij heeft de inlichtingenverplichting niet geschonden. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Appellant verkeert zonder twijfel in bijstandbehoevende omstandigheden. Door de weigering van het dagelijks bestuur kan hij niet in zijn levensonderhoud voorzien en wordt hij bovendien niet toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, waardoor de hoognodige aanpak van zijn schuldenproblematiek uitblijft.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 10 juli 2013 (datum melding) tot

9 september 2013 (datum besluit op de aanvraag).

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager van bijstand verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. In het kader van dat onderzoek kan het bijstandverlenend orgaan van de betrokkene, indien daarvoor een concrete aanleiding is, inzage verlangen in de giro- en bankafschriften uit een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden en om overlegging van andere financiële gegevens over een dergelijke periode.

4.3.

Het dagelijks bestuur heeft niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich met betrekking tot de in geding zijnde aanvraag voordeed. In het bijzonder heeft het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding was voor een onderzoek naar de (financiële) omstandigheden over een dergelijke lange periode in het verleden als hier aan de orde en dat appellant daarover in het kader van de, in beginsel vanaf 10 juli 2013 (1e meldingsdatum), voor hem geldende wettelijke inlichtingenverplichting verantwoording diende af te leggen.

4.3.1.

Daarvoor is in ieder geval niet voldoende dat appellant, zoals het college en de voorzieningenrechter hebben aangenomen, geen volledige opheldering heeft gegeven over de aanwezigheid van een onderhuurder in zijn woning in de periode vanaf 2009 tot en met maart 2013 en over de inkomsten uit die onderhuur. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft in dat verband zwaarwegende betekenis gehecht aan het waterverbruik in de woning van appellant, welk verbruik vooral in de periode 2010 - 2011 zodanig laag is geweest dat er naast appellant geen andere volwassene in de woning kan hebben gewoond, zodat moet worden geconcludeerd dat appellant geen juiste inlichtingen over de onderhuur heeft verstrekt. Appellant heeft daartegenover terecht aangevoerd, naast de betwisting van gehoudenheid tot het afleggen van verantwoording daarover aangezien hij toen geen bijstand ontving, dat in redelijkheid niet kan worden staande gehouden dat het waterverbruik in de woning van appellant in reeds lang voorbije jaren nog van invloed is op zijn recht op bijstand vanaf juli 2013. Verder is niet in geschil dat vanaf maart 2013 geen onderhuurder meer verbleef in de woning van appellant.

4.3.2.

In aanmerking genomen dat appellant in de gehele periode van oktober 2009 tot juli 2013 geen bijstand heeft ontvangen, slaagt ook de beroepsgrond van appellant dat van hem niet kon worden verlangd dat hij aan het dagelijks bestuur volledige verantwoording aflegt over de manier waarop hij gedurende die periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien en over de ontwikkeling van zijn schuldenlast in die periode. Naar het oordeel van de Raad hebben het dagelijks bestuur en de voorzieningenrechter van de rechtbank de reikwijdte van de vanaf 10 juli 2013 voor appellant geldende wettelijke inlichtingenverplichting in dit geval in onaanvaardbare mate opgerekt. Zonder concrete aanwijzingen over de aanwezigheid van

- door appellant verzwegen - vermogen en inkomsten die voldoende relevantie hadden voor de hier te beoordelen periode, had het dagelijks bestuur geen grond om appellant te vragen allerlei gegevens over te leggen over een periode van ruim 3,5 jaar voor de datum van de aanvraag om bijstand. Aan de door het dagelijks bestuur aan de hand van de door appellant aangeleverde gegevens gemaakte, gedetailleerde analyse van het inkomsten- en uitgavenpatroon van appellant gedurende de periode vanaf oktober 2009 komt bovendien onvoldoende feitelijke betekenis toe voor het recht op bijstand in de hier te beoordelen periode.

4.4.

Appellant heeft in het kader van de aanvraag alle door het dagelijks bestuur gevraagde bankafschriften overgelegd. Tevens heeft hij het bestaan van een groot aantal schulden met bewijsstukken aangetoond. Daarnaast heeft hij, mede aan de hand van de bankgegevens, verklaringen afgelegd over de wijze waarop zijn woninghuur en de vaste lasten van zijn woning werden - en worden - betaald. Ook heeft appellant verklaringen ingebracht van familieleden die hem daarbij financieel hebben ondersteund. Er zijn, zoals hiervoor al is overwogen, geen concrete gegevens naar voren gekomen die erop wijzen dat appellant in de hier te beoordelen periode beschikte over middelen die hij voor het dagelijks bestuur heeft verzwegen. Aan de hand van alle met betrekking tot de te beoordelen periode voorhanden zijnde gegevens kan naar het oordeel van de Raad het recht op bijstand over die periode, anders dan het dagelijks bestuur en de voorzieningenrechter van de rechtbank hebben aangenomen, wel worden vastgesteld. Alle gegevens met betrekking tot de aanvraag van

2 augustus 2013 bijeengenomen, waaronder begrepen de schulden die appellant in zijn bestaansvoorziening bedreigen, leiden tot het oordeel dat appellant in de hier te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden en dat aan hem met ingang van de datum van de melding van 10 juli 2013 bijstand had moeten worden toegekend. De aanvraag is dus ten onrechte afgewezen.

4.5.

Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 17, eerste lid, van de WWB en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.6.

Vervolgens moet worden bezien welke gevolgen aan deze conclusie moeten worden verbonden.

4.7.

Aan het besluit van 9 september 2013 kleeft hetzelfde gebrek als aan het te vernietigen bestreden besluit. Dat gebrek kan niet meer worden hersteld. De Raad ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat aan appellant bijstand wordt verleend naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 10 juli 2013.

4.8.

Het oordeel van de Raad in deze zaak heeft weliswaar uitsluitend betrekking op de periode die afloopt op 9 september 2013, maar de uitspraak heeft mede tot gevolg dat de bijstand van appellant ook na die datum in beginsel doorloopt. Gelet op de standpunten van partijen ter zitting over het (mogelijke) vervolg van deze procedure - maar voor het onderhavige hoger beroep wel ten overvloede - merkt de Raad nog het volgende op. Het dagelijks bestuur kan niet het recht worden ontzegd nader onderzoek te doen naar het recht van appellant op bijstand vanaf 9 september 2013. Daarbij hoeft het dagelijks bestuur niet voorbij te zien aan de bevindingen van het onderzoek dat is gedaan naar aanleiding van de aanvraag van 2 oktober 2013, maar daarbij mag het dagelijks bestuur niet, zoals bij die aanvraag wel opnieuw is gedaan, de financiële omstandigheden van appellant in de periode van oktober 2009 tot en met juli 2013 betrekken. Van appellant mag worden verlangd dat hij aan een nader onderzoek meewerkt en de nodige inlichtingen verstrekt. Mocht appellant daarbij in bewijsnood komen, dan kan dit niet zonder meer voor zijn rekening worden gelaten, in aanmerking genomen de onjuiste beslissing op de aanvraag van 2 augustus 2013.

5.

De Raad ziet aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 487,- in bezwaar, op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 november 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 9 september 2013 en bepaalt dat aan appellant met ingang van

10 juli 2013 bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande vermeerderd met

de gemeentelijke toeslag;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 18 november

2013;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gegeven door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) S.K. Dekker

HD