Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
13-3049 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om vergoeding/tegemoetkoming van verhuis-en inrichtingskosten. Niet is voldaan aan de beleidscriteria voor toekenning van een vergoeding voor dan wel een tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3049 WUBO

Datum uitspraak: 12 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2013, kenmerk BZ01541705 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2014. Namens appellant is verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1938, is bij besluit van 24 juni 1999 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de van de Wubo. Daarbij is aangenomen dat bij hem sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het door hem ondergane oorlogsgeweld.

1.2. In augustus 2012 heeft appellant een vergoeding voor dan wel een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten aangevraagd. Daarbij heeft hij naar voren gebracht dat om zijn woning te kunnen bereiken drie trappen moeten worden genomen en dat twee zussen en een broer daartoe fysiek niet meer in staat zijn. Als zijn familie hem niet meer zou bezoeken, zou dat volgens appellant een ernstige toename van zijn psychische klachten kunnen betekenen. De aanvraag is bij besluit van 24 september 2012 afgewezen, op de grond dat niet is gebleken dat de woning voor appellant zelf ongeschikt is.

1.3. Per 1 oktober 2012 is appellant verhuisd naar een woning die op de begane grond is gelegen. Geneeskundig adviseur G.L.G. Kho heeft naar aanleiding van het door appellant gemaakte bezwaar medische informatie ingewonnen bij de behandelende artsen en heeft op 23 april 2013 gerapporteerd dat niet is voldaan aan de beleidscriteria voor toekenning van een vergoeding voor dan wel een tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten. Het bezwaar is vervolgens bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.

De Raad overweegt als volgt.

2.1.

Verweerder hanteert als beleid dat een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten kan worden toegekend als de causale medische klachten een verhuizing naar een andere (adequate) woning noodzakelijk maken. Voor het toekennen van een tegemoetkoming geldt

- kort gezegd - de voorwaarde dat sprake is van een combinatie van niet-causale klachten die de verhuizing medisch noodzakelijk maken en causale klachten die de verhuizing wenselijk maken.

2.2.1.

Appellant heeft naar voren gebracht dat het bestreden besluit op een onzorgvuldig onderzoek berust. Daarbij heeft hij erop gewezen dat in de bezwaarfase weliswaar een medisch advies is ingewonnen, maar dat is nagelaten om een gericht onderzoek te doen naar de woonsituatie van appellant en naar het emotionele belang dat het contact met zijn broers en zussen voor hem heeft. Verder is volgens appellant onvoldoende onderzoek gedaan naar de beperkingen die hij ondervindt in verband met zijn lichamelijke klachten.

2.2.2.

De Raad volgt appellant hierin niet. In de primaire besluitvormingsfase is op basis van de door appellant verstrekte informatie geconcludeerd dat hij niet in aanmerking komt voor de gevraagde voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten. Voor zover moet worden gezegd dat het onderzoek hiermee onvolledig is geweest, is dit gebrek in de bezwaarfase hersteld. Op 30 januari 2013 heeft de gemachtigde van appellant, mr. Van Berkel, telefonisch toegelicht waarom de verhuizing volgens appellant medisch noodzakelijk was. Daarbij is ook ingegaan op het belang voor appellant bij het kunnen onderhouden van contacten met zijn broers en zussen. Vervolgens heeft geneeskundig adviseur Kho gerichte medische informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant en bij de behandelend longarts en uroloog. Daarmee heeft verweerder een voldoende zorgvuldig onderzoek verricht.

2.3.

Kho heeft in het onder 1.3 genoemde rapport vermeld dat appellant zelf nog voldoende mobiel was en in staat was om zijn familieleden te bezoeken, zodat er geen gevaar bestond voor vereenzaming. Verder blijkt volgens Kho uit de verkregen medische informatie niet van psychische en/of lichamelijke klachten die het bewonen van de woning onmogelijk maakten. Met dit rapport is het standpunt van verweerder dat een medische noodzaak dan wel een medisch-sociale wenselijkheid voor de verhuizing van appellant ontbrak, voldoende onderbouwd. Uit de beschikbare medische informatie ziet de Raad niet naar voren komen dat verweerder de medische beperkingen van appellant onjuist heeft ingeschat. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om ten gunste van appellant van het onder 2.1 omschreven beleid af te wijken.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) A.C. Oomkens

HD