Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
13-550 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag medewerker belastingdienst. De aan appellant opgelegde straf van ontslag kan niet als onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim worden aangemerkt. Voor de ernst van het plichtverzuim weegt mee dat het doen van onvolledige dan wel onjuiste aangiften IB betrekking heeft op meerdere jaren en verschillende aftrekposten en appellant daarbij in elk geval voor een deel bewust heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/550 AW

Datum uitspraak: 5 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 december 2012, 12/6405 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatsecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Raydt en

mr. J.J.M. Snieders.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 september 1984 werkzaam bij de Belastingdienst/Douane Rotterdam Rijnmond, laatstelijk in de functie van groepsfunctionaris E.

1.2. Naar aanleiding van de aangifte Inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen (aangifte IB) van appellant over het jaar 2008 heeft de ambtenaar die geautoriseerd is om de aangiften van medewerkers van onder meer de Belastingdienst te regelen melding gemaakt van fiscale onregelmatigheden. Omdat op basis daarvan het ernstige vermoeden rees van plichtverzuim door appellant heeft de Belastingdienst een onderzoek ingesteld naar de aangiften IB van appellant, in het bijzonder over de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010. Daartoe is ontheffing verleend van de fiscale geheimhoudingsplicht ten aanzien van de gegevens uit de aangifte(n).

1.3. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft de staatssecretaris aan appellant bij brief van 19 september 2011 meegedeeld dat hem plichtverzuim ten laste wordt gelegd wegens onjuiste belastingaangiften. Appellant heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om zich hierover te verantwoorden. Op 12 januari 2012 heeft de staatssecretaris op voorstel van de directeur van de eenheid Belastingdienst/Douane Rotterdam Rijnmond aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem de straf van ontslag op te leggen wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Nadat appellant hierover zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de staatssecretaris bij besluit van 4 april 2012 aan appellant in overeenstemming met het voornemen met toepassing van de artikelen 50, eerste lid, 80 en 81, eerste lid, aanhef en

onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van 6 april 2012 de straf van ontslag opgelegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2012 (bestreden besluit).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden. De staatssecretaris heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan appellant is verweten dat hij:

- bij zijn aangiften IB over 2007 en 2008 zijn inkomsten uit overige werkzaamheden (bezorging van drukwerk) niet heeft opgegeven;

- bij zijn aangiften IB 2007 en 2008 een te hoog bedrag voor studiekosten heeft afgetrokken;

- bij zijn aangifte IB 2008 giften heeft opgegeven als aftrekpost, maar dat hij deze giften grotendeels niet heeft kunnen onderbouwen; en

- bij zijn aangiften 2007, 2008, 2009 en 2010 ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de faciliteit voor reiskostenaftrek.

4.2.

Appellant heeft de hem verweten gedragingen niet betwist, maar gesteld dat deze niet als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. Daartoe heeft hij betoogd dat, voor zover zijn aangiften IB onvolledig dan wel onjuist zijn, dit berust op door hem gemaakte, niet verwijtbare vergissingen en fouten die hij - mede als gevolg van de trage afhandeling van zijn aangiften - in latere jaren heeft herhaald.

4.3.

De staatssecretaris heeft aannemelijk gemaakt dat appellant de door hem in 2007 en 2008 verworven inkomsten uit overige werkzaamheden bewust niet heeft opgegeven in de aangiften over die jaren. Nog los van het feit dat het van algemene bekendheid is dat inkomsten uit arbeid moeten worden opgegeven bij de aangifte IB, was appellant ervan op de hoogte dat hij zijn inkomsten uit het bezorgen van drukwerk moest opgeven, nu hem over 1998 en 2001 naheffingen zijn opgelegd wegens het niet opgeven van inkomsten uit soortgelijke werkzaamheden en hij over de tussengelegen jaren die inkomsten wel heeft opgegeven. De, overigens wisselende, verklaringen die appellant heeft gegeven voor zijn nalatigheid doen daar niet aan af.

4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onjuistheden in de aangiften op de onderdelen giften en studiekosten berusten op vergissingen. Op grond van de duidelijke en eenduidige toelichting bij het (digitale) aangifteformulier en de beschikbare informatie op de website van de Belastingdienst kon appellant ermee bekend zijn dat, om studiekosten en giften als aftrekpost te kunnen opvoeren, die kosten in het aangiftejaar daadwerkelijk moeten zijn gemaakt en met schriftelijke bewijsstukken moeten kunnen worden onderbouwd. Deze voorwaarden voor aftrekbaarheid gelden ook voor giften, waarbij giften die als periodieke giften worden opgevoerd moeten berusten op een bij notariële akte aangegane schenkingsverplichting.

4.5.

Appellant heeft verder over de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 ten onrechte reiskosten met het openbaar vervoer als aftrekpost opgevoerd, hoewel hij niet voldeed aan de voorwaarden voor aftrek van reiskosten. In 2007 en een deel van 2008 reisde hij niet met het openbaar vervoer en in het resterende deel van 2008 en in 2009 en 2010 heeft de werkgever alle reiskosten gedragen. Ook hier kon het appellant op grond van de onder 4.4 genoemde informatiebronnen duidelijk zijn dat hij geen aanspraak kon maken op aftrek van reiskosten. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, een (repeterende) vergissing heeft gemaakt is daarom niet aannemelijk.

4.6.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de staatssecretaris met zijn besluitvorming over een disciplinaire straf had moeten wachten tot de aangiften over 2009 en 2010 waren afgewikkeld. Immers, bij de eerste beoordeling van deze aangiften was al duidelijk dat appellant ten onrechte reiskosten als aftrekpost had opgevoerd. De stukken die appellant in hoger beroep heeft ingezonden bieden geen steun voor de conclusie dat de aangiften IB over 2009 en 2010 op het hier van belang zijnde onderdeel, de reiskosten, achteraf bezien niet onjuist zijn geweest.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim, zodat de staatssecretaris bevoegd was hem een disciplinaire straf op te leggen.

4.8.

De aan appellant opgelegde straf van ontslag kan niet als onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim worden aangemerkt. Voor de ernst van het plichtverzuim weegt mee dat het doen van onvolledige dan wel onjuiste aangiften IB betrekking heeft op meerdere jaren en verschillende aftrekposten en appellant daarbij in elk geval voor een deel bewust heeft gehandeld. De aard van het plichtsverzuim is van belang omdat de staatssecretaris terecht hoge eisen stelt aan de integriteit van ambtenaren van de Belastingdienst, in het bijzonder wat betreft het nakomen van hun fiscale verplichtingen. Dat geldt ook als zij geen specifiek fiscale functie bekleden. De lange staat van dienst van appellant en het feit dat het ontslag onmiskenbaar grote gevolgen voor hem heeft gehad, leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD