Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
13-800 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met een partner die over een inkomen beschikt en dat op de bankrekening van appellant periodiek kasstortingen plaatsvinden (...), die het college kwalificeert als inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/800 WWB

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2013, 12/4492 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 maart 2014, waar partijen, zoals zij hadden bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 27 februari 2012 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie tot een bedrag van € 645,-. Bij besluit van 27 maart 2012 (besluit 1) heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.2.

Appellant heeft op 26 april 2012 een aanvraag gedaan om langdurigheidstoeslag. Bij besluit van 8 mei 2012 (besluit 2) heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 12 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met een partner die over een inkomen beschikt en dat op de bankrekening van appellant periodiek kasstortingen plaatsvinden, gemiddeld tot een bedrag van € 779,88 per maand, die het college kwalificeert als inkomsten. Bij de vaststelling van de draagkracht van appellant is rekening gehouden met zijn inkomen, het inkomen van zijn partner en het inkomen van de volwassen inwonende dochter van appellant. De aanvraag om bijzondere bijstand is afgewezen op de grond dat appellant voldoende draagkracht heeft om in de kosten voor fysiotherapie te voorzien. De aanvraag om langdurigheidstoeslag is afgewezen op de grond dat het gezinsinkomen hoger is dan 110% van de voor appellant geldende bijstandsnorm.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, overwogen dat appellant geen verifieerbare verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de kasstortingen. De rechtbank acht, gelet op het bedrag van die stortingen, niet aannemelijk dat het gaat om gespaard muntgeld. Ook is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het gaat om de bijdrage van de dochter in de woonkosten.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de kasstortingen ten onrechte als zijn inkomsten worden beschouwd. Daarvoor zijn geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten. Appellant heeft een normaal bestedingspatroon. Niets wijst op neveninkomsten. Bovendien kan appellant door zijn lichamelijke beperkingen geen reguliere arbeid verrichten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 4 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5145) kunnen veelvuldige kasstortingen op de bankrekening van een betrokkene worden aangemerkt als diens inkomsten, indien de betrokkene voor die stortingen geen objectieve en verifieerbare gegevens verschaft die het tegendeel aannemelijk maken. Hierbij is mede van belang dat de betrokkene de bedragen heeft kunnen aanwenden voor het dagelijkse levensonderhoud. De stortingen moeten dan worden aangemerkt als inkomen van de betrokkene in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep aanvoert zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft in het licht van wat onder 4.1 is overwogen, geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De stelling in hoger beroep, inhoudende dat appellant geen arbeid kan verrichten, wat daar van zij, kan voorts de conclusie niet dragen dat hij geen inkomsten kan verwerven.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.R. Schuurman

HD