Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
13-2939 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het dagelijks bestuur heeft de verzending van de uitnodigingsbrief niet aannemelijk gemaakt. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, kan in het bezwaarschrift van betrokkene van 8 december 2011 tegen het opschortingsbesluit een ontkenning van de ontvangst van de brief worden gelezen. De gestelde weigerachtige houding van betrokkene is onvoldoende aanwijzing voor het tegendeel. Betrokkene heeft geen handelingen verricht of uitlatingen gedaan die erop wijzen dat hij de brief wel moet hebben ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2939 WWB, 13/2940 WWB

Datum uitspraak: 10 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 mei 2013, 12/276 en 12/433 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (dagelijks bestuur)

[betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. J.W. Brouwer, advocaat, heeft zich gesteld als gemachtigde van betrokkene en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Voor betrokkene is mr. Brouwer verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft nader onderzoek gedaan naar aanleiding van een melding van het Inlichtingenbureau dat betrokkene een auto op naam had gekregen. Daaruit bleek dat er meer kentekens op zijn naam stonden of hadden gestaan.

1.2.

Bij besluit van 24 november 2011 (opschortingsbesluit), heeft appellant de bijstand van betrokkene opgeschort met ingang van 15 november 2011, omdat betrokkene zonder afmelding niet was verschenen op een afspraak voor die datum, waarvoor hij bij brief van

3 november 2011 was uitgenodigd. Appellant heeft betrokkene daarbij verzocht om voor

6 december 2011 een nieuwe afspraak te maken. Bij besluit van 8 maart 2012 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van appellant tegen het opschortingsbesluit ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 20 december 2011 (intrekkingsbesluit), gehandhaafd bij besluit van

24 mei 2012 (bestreden besluit 2), heeft appellant de bijstand van betrokkene ingetrokken met ingang van 15 november 2011. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat betrokkene niet heeft voldaan aan het verzoek om op 15 november 2011 te verschijnen teneinde kentekenbewijzen en bankafschriften over te leggen. Ook nadien heeft betrokkene de ontbrekende stukken niet overgelegd, ondanks de hem geboden nadere termijn. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en het opschortingsbesluit herroepen. De rechtbank heeft appellant opdracht gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene tegen de intrekking te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene heeft gesteld de brief van 3 november 2011 niet te hebben ontvangen en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de brief daadwerkelijk is verzonden. Van omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene de brief heeft ontvangen, is niet gebleken. Appellant kan gelet hierop niet worden verweten dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging voor het gesprek van 15 november 2011. De opschorting en de daarop gebaseerde intrekking kunnen derhalve niet in stand blijven.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft primair aangevoerd dat het gelet op de uitlatingen en het gedrag van betrokkene in dit geval onaannemelijk is dat hij de uitnodigingsbrief van 3 november 2011 niet heeft ontvangen. Betrokkene heeft dit pas in beroep aangevoerd. Ook na het opschortingsbesluit heeft betrokkene steeds te kennen gegeven dat hij niet in gesprek wilde en heeft hij verzuimd de gevraagde informatie in te leveren. Gezien de weigerachtige houding van betrokkene is zijn ontkenning van de ontvangst van de brief van 3 november 2011 ongeloofwaardig. Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat betrokkene vanaf 24 november 2011 in verzuim was, zodat de bijstand vanaf die datum had kunnen worden opgeschort en beëindigd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het ligt gezien de ontkenning van de ontvangst door betrokkene in beginsel op de weg van appellant om de verzending van de uitnodigingsbrief van 3 november 2011 aannemelijk te maken. Niet in geschil is dat appellant hiertoe niet in staat is. Wat appellant heeft aangevoerd, is onvoldoende voor het oordeel dat betrokkene het desbetreffende stuk wel moet hebben ontvangen. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, kan in het bezwaarschrift van betrokkene van 8 december 2011 tegen het opschortingsbesluit een ontkenning van de ontvangst van de brief worden gelezen. De gestelde weigerachtige houding van betrokkene is onvoldoende aanwijzing voor het tegendeel. Betrokkene heeft geen handelingen verricht of uitlatingen gedaan die erop wijzen dat hij de brief wel moet hebben ontvangen (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1365). De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen dat hij niet is verschenen op 15 november 2011. Dit betekent dat de opschorting en de daarop gebaseerde intrekking niet in stand kunnen blijven.

4.2.

Ook de subsidiaire beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat een opschorting en beëindiging van de bijstand van betrokkene per 24 november 2011 hier niet voorligt.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.4.

Het ter zitting gedane verzoek van betrokkene om vergoeding van wettelijke rente kan nu niet worden toegewezen, omdat overeenkomstig de opdracht van de rechtbank nadere besluitvorming door appellant zal dienen plaats te vinden. Appellant zal bij het nemen van een nader besluit ook aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om schade te vergoeden.

5.

Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 487,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 487,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD