Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
13-1474 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering en terugvordering wegens verblijf in het buitenland anders dan voor vakantie. Uit onderzoek Attache blijkt niet dat appellante vóór 29 juni 2008 buiten Nederland verbleef. Geen feitelijke grondslag voor intrekking WW-uitkering per die datum. Op basis van de stukken en eigen onderzoek volgt de Raad het nadere standpunt van het Uwv dat appellante vanaf 3 juli 2009 meer dan zes maanden anders dan wegens vakantie in het buitenland verbleef en dat € 15.030,90 onverschuldigd aan WW-uitkering is betaald. Geen dringende reden om van terugvoredeing af te zien (verwezen naar ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9152). Raad doet wat de rechtbank zou behoren te doen en voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1474 WW

Datum uitspraak: 11 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

6 februari 2013, 12/3756 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2014. Namens appellante is verschenen mr. Wiebes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.Appellante heeft over de periode van 11 januari 2007 tot en met 10 oktober 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

1.2. Uit onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank is gebleken dat appellante op 29 juni 2008 met twee van haar kinderen naar Marokko is vertrokken. De Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Rabat (Attaché) heeft een onderzoek laten instellen onder meer naar de woonplaats van appellante en hierover op 9 januari 2012 gerapporteerd. Uit de bevindingen van dit laatste onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante vanaf

29 februari 2008 in Marokko verblijft. Bij besluit van 6 februari 2012, is daarom de WW-uitkering van appellante met ingang van 29 februari 2008 ingetrokken. Bij besluit van

8 februari 2012 is de WW-uitkering over de periode van 29 februari 2008 tot en met

10 oktober 2008 tot een bedrag van € 18.300,78 als volgens het Uwv onverschuldigd betaald van appellante teruggevorderd.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 14 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 6 en 8 februari 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het recht van appellante op uitkering op grond van de WW geëindigd met ingang van 29 februari 2008 en kan dat recht niet meer herleven omdat appellante meer dan zes maanden buiten Nederland heeft gewoond of verbleven anders dan wegens vakantie. Het Uwv is verplicht een onverschuldigd uitbetaalde WW-uitkering terug te vorderen. De rechtbank heeft geen dringende redenen aanwezig geacht om af te zien van de intrekking en de terugvordering.

3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte wordt aangenomen dat haar recht op WW-uitkering met ingang van 29 februari 2008 is geëindigd en niet meer kan herleven. Volgens haar is sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten vormen om af te zien van de intrekking en de terugvordering.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de onderdelen 4 en 11 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat uit de bevindingen van het onderzoek van de Attaché niet kan worden geconcludeerd dat appellante vóór 29 juni 2008 buiten Nederland verblijf heeft gehouden. Voor intrekking van de WW-uitkering met ingang van 29 februari 2008 wegens verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie, bestaat geen feitelijke grondslag. Daarmee ontvalt ook de grondslag aan de terugvordering van

€ 18.300,78, omdat zonder deugdelijke grondslag door het Uwv is aangenomen dat de

WW-uitkering vanaf 29 februari 2008 onverschuldigd aan appellante is betaald.

4.3.

Uit de door de Attaché verzamelde en de overige in het dossier aanwezige gegevens volgt wel dat

( i) appellante op 29 juni 2008 Marokko is ingereisd en op 17 september 2008 Marokko heeft verlaten;

(ii) appellante op 28 september 2008 Marokko is ingereisd en op 30 november 2008 Marokko heeft verlaten;

(iii) appellante op 18 december 2008 Marokko is ingereisd ;

(iv) op aanvraag van appellante op 15 juni 2009 te [woonplaats] aan haar een Nederlands paspoort is afgegeven;

( v) geen uitreisstempels na 18 december 2008 en vóór 15 juni 2009 in het Marokkaanse paspoort van appellante zijn geplaatst;

(vi) appellante op 3 juli 2009 Marokko is ingereisd en op 11 februari 2010 Marokko heeft verlaten.

4.4.

Aan de gemachtigde van appellante is voorgehouden dat uit informatie op de internetsite van de gemeente [woonplaats] blijkt dat (tenzij een spoedprocedure is gevolgd) vijf werkdagen na aanvraag een paspoort aan een belanghebbende kan worden uitgereikt. Deze gemachtigde heeft ter zitting meegedeeld dat er geen bewijsstukken zijn waaruit kan blijken dat appellante eerder dan 8 juni 2009 (vijf werkdagen voor 15 juni 2009) in Nederland is teruggekeerd en dat geen spoedprocedure is gevolgd voor de afgifte van haar Nederlandse paspoort. Gelet hierop houdt de Raad het ervoor dat het verblijf van appellante buiten Nederland vanaf

18 december 2008 niet vóór 8 juni 2009 is geëindigd.

4.5.

Appellante wordt niet gevolgd in haar opvatting dat zij wegens vakantie in Marokko verbleef. Zij heeft dat nooit voorafgaand aan haar vertrek uit Nederland gemeld aan het Uwv. Uit het verslag van de hoorzitting van 21 juni 2012 komt naar voren dat appellante destijds met haar jongste twee kinderen naar Marokko is gegaan om hen te helpen zich daar te settelen en om hen te verzorgen, omdat hun grootouders in Marokko die zorg niet meer (volledig) op zich konden nemen.

4.6.

Ter zitting heeft het Uwv zich nader op het standpunt gesteld dat het recht op

WW-uitkering van appellante wegens verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie is geëindigd op 29 juni 2008, is herleefd per 18 september 2008, opnieuw is geëindigd per

28 september 2008, weer is herleefd per 1 december 2008 en is geëindigd per 18 december 2008. Het recht is vervolgens nogmaals herleefd op 8 juni 2009 en op grond van artikel 21, derde lid, aanhef en onder c, van de WW definitief geëindigd per 3 juli 2009, omdat appellante vanaf die datum meer dan zes maanden anders dan wegens vakantie in het buitenland heeft verbleven. Hiervan uitgaande is volgens het Uwv een bedrag van € 15.030,90 onverschuldigd aan WW-uitkering aan appellante betaald. Gelet op alle nu beschikbare gegevens wordt dit nadere standpunt van het Uwv gevolgd.

4.7.

Anders dan appellante heeft gesteld, zijn er geen dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien. Uit vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9152) blijkt dat dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de intrekking en de terugvordering voor een verzekerde, gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Appellante heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit dergelijke onaanvaardbare gevolgen blijken. Ter zitting is gebleken dat nog geen invordering van de onverschuldigd aan appellante betaalde uitkering heeft plaatsgevonden wegens gebrek aan aflossingscapaciteit.

4.8.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

5.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.922,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 14 september 2012;

  • -

    bepaalt dat het recht op WW-uitkering van appellante eindigt op, onderscheidenlijk herleeft met ingang van de data vermeld in overweging 4.6;

  • -

    stelt het van appellante terug te vorderen bedrag vast op € 15.030,90;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 september 2012;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) G.J. van Gendt

sg