Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
13-991 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autohandel. Geldtransacties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/991 WWB, 13/1535 WWB

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2013, 12/2431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 27 februari 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Witlox. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.P.C. Schouten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 18 februari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant auto’s inkoopt en vervolgens exporteert, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche bij appellant bankafschriften opgevraagd, de registers van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd en appellant gehoord. Hieruit is gebleken dat appellant in de periode van eind 2010 tot begin 2012 acht auto's gedurende relatief korte perioden op zijn naam geregistreerd had staan. Uit de bankafschriften is gebleken dat stortingen op eigen rekening hebben plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 maart 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

28 maart 2012 de bijstand in te trekken over de volgende perioden:

- 1 maart 2011 tot en met 30 juni 2011;

- 1 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2011;

- 1 januari 2012 tot en met 29 februari 2012.

Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van inkomsten uit de overdracht van auto's in de maanden dat de betreffende registraties bij de RDW zijn beëindigd. Omdat appellant geen administratie heeft bijgehouden van de transacties die in deze perioden hebben plaatsgevonden, kan het college over die perioden het recht op bijstand niet vaststellen en wordt de bijstand over die perioden teruggevorderd. Het college heeft bij datzelfde besluit de bijstand herzien over de volgende perioden:

- 1 december 2010 tot en met 31 december 2010;

- 1 augustus 2011 tot en met 31 augustus 2011;

- 1 november 2011 tot en met 31 december 2011;

- 1 maart 2012 tot en met 31 maart 2012.

Hieraan ligt ten grondslag dat appellant in de genoemde perioden inkomsten heeft gehad. Hij heeft daarvan geen opgave gedaan waardoor hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft in de genoemde perioden de bijstand met het bedrag van de inkomsten verminderd. Het college heeft tot slot de over de periode van 1 december 2010 tot en met 31 maart 2012 gemaakte kosten van ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van in totaal € 11.369,22 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 11 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd ten aanzien van de herziening en de terugvordering, het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de feitelijke grondslag voor herziening betreffende de maand maart 2012 ontbreekt aangezien niet gebleken is dat in die maand stortingen op eigen rekening hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft het college in verband hiermee opgedragen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de herziening en terugvordering waarbij de periode waarover de bijstand is herzien en het bedrag dat in verband daarmee is teruggevorderd, wordt aangepast. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat voor de overige perioden voldoende grondslag bestond voor de intrekking, herziening en terugvordering.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 27 februari 2013 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de herziening van de bijstand over de maand maart 2012 ongedaan wordt gemaakt. De bijstand over de maand maart 2012 is terecht verstrekt en er zal over deze maand geen terugvordering plaatsvinden. De hoogte van de terugvordering wordt hierdoor gewijzigd in € 11.994,96 (inclusief brutering).

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het besluit van 27 februari 2013 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

Autohandel

5.2.

Uit de gegevens van de RDW blijkt dat appellant in de periode van 24 december 2010 tot en met 21 februari 2012 acht kentekens van motorvoertuigen (auto’s) op zijn naam geregistreerd heeft gehad. Dit is niet betwist. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest en de auto’s zijn vervolgens alle geëxporteerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat met betrekking tot de auto’s (handels)transacties hebben plaatsgevonden. Tevens kan er vanuit worden gegaan dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden.

5.3.

Appellant betwist dat hij zakelijke transacties met betrekking tot de auto’s heeft verricht. Hij voert aan dat hij bij wijze van vriendendienst auto’s voor twee kennissen uit Frankrijk bekijkt, voor hen onderhandelt, de auto’s betaalt, op zijn naam laat registreren en ten slotte zorgt voor de keuring bij de RDW voor de export. Die stelling heeft appellant, gelet op het aantal transacties, niet aannemelijk gemaakt. De verklaringen van zijn vrienden uit Frankrijk zijn onvoldoende concreet om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van een vriendendienst. Daarbij is mede van belang dat het, voor de periode waarin dat gebeurde, om een groot aantal auto’s ging en dat de daarmee gepaard gaande inspanningen van appellant omvangrijk waren, zodat niet aannemelijk is dat de activiteiten een ander dan een zakelijk karakter hadden. De activiteiten die appellant heeft verricht, moeten daarom als op geld waardeerbaar worden aangemerkt. Appellant had daar redelijkerwijs betaling voor kunnen vragen en aldus inkomsten daarmee kunnen verwerven.

5.4.

Met betrekking tot enkele auto’s heeft appellant aangevoerd dat ze niet bestemd waren voor autohandel, maar voor eigen gebruik. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:841) is, in het licht van de overige transacties met de auto’s, de enkele omstandigheid dat een bepaalde auto gedurende een periode van een paar maanden op naam van appellant stond en appellant in die auto reed, onvoldoende om de transactie met die auto buiten beschouwing te laten.

5.5.

Door van de onder 5.3 bedoelde activiteiten geen melding te maken is appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen met betrekking tot de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden.

5.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

5.7.

Vastgesteld wordt dat appellant geen controleerbare gegevens heeft verschaft over de transacties, zoals informatie over de voor de auto’s betaalde aanschafprijzen en over de ontvangen inkomsten en vergoedingen voor door hem gemaakte kosten, zodat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij in de betreffende maanden verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

5.8.

In het vorenstaande ligt besloten dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken.

Stortingen op eigen rekening

5.9.

Uit de door de sociale recherche bij appellant opgevraagde bankafschriften blijkt dat over de maanden december 2010, augustus 2011, november 2011 en december 2011 stortingen op eigen rekening zijn gedaan. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt aan het college. Hierdoor heeft hij de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.10.

Het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene staat rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Het ligt dan op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat de als gevolg van stortingen op zijn rekening bijgeschreven bedragen niet zijn aan te merken als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB (zie bijvoorbeeld uitspraak van de Raad van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:753).

5.11.

Uit de door appellant gegeven verklaring voor deze stortingen kan de herkomst en het doel van de stortingen niet verifieerbaar worden afgeleid. Appellant heeft zijn stelling dat hij geld heeft geleend van vrienden niet met bewijsstukken gestaafd. Ook de verklaring dat hij op 17 augustus 2011 € 500,- op zijn rekening heeft gestort en dit er een paar minuten later weer heeft afgehaald en aan zijn vriend heeft gegeven, heeft hij niet aannemelijk gemaakt.

5.12.

Het voorgaande betekent dat het college de bedragen die in de relevante maanden zijn gestort op de rekening van appellant terecht als diens middelen heeft aangemerkt. Gelet op de frequentie en de hoogte van de stortingen heeft het college deze niet ten onrechte als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Appellant had in de maanden dat de kasstortingen plaatsvonden op grond van artikel 19, tweede lid, van de WWB enkel recht op bijstand ter hoogte van het verschil tussen dit inkomen en de bijstandsnorm. De schending van de inlichtingenverplichting heeft derhalve tot gevolg gehad dat aan appellant een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over de betreffende maanden te herzien door alsnog met de kasstortingen als inkomen rekening te houden. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

5.13.

Uit 5.2 tot en met 5.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.14.

Met het nadere besluit van 27 februari 2013 is het over de daarin genoemde perioden teruggevorderde bedrag aan gemaakte kosten van ten onrechte verleende bijstand vastgesteld op € 11.994,96. Appellant heeft tegen dit besluit geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Uit wat onder 5.12 is overwogen volgt dat het beroep van betrokkene tegen dit besluit ongegrond dient te worden verklaard.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 februari 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

HD