Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
12-4864 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Maatregel. Autohandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4864 WWB, 12/4865 WWB

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

18 juli 2012, 12/125 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 april 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Nadat uit onderzoek naar voren was gekomen dat appellant in 2009 en 2010 auto's op naam heeft gehad die bij de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen (afdeling) niet bekend waren, heeft de afdeling een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de afdeling onder meer dossieronderzoek gedaan, gegevens opgevraagd bij appellanten en appellanten gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 juli 2011. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 4 juli 2011 de bijstand van appellanten over de maanden februari, maart, april, mei, juni, november en december 2009 en de maanden februari, april, mei, augustus, september, oktober en november 2010 in te trekken, de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 6.405,36 van appellanten terug te vorderen en met toepassing van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (afstemmingsverordening) een maatregel op te leggen van € 650,-. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten geen melding hebben gedaan van inkomsten uit autohandel, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen in de maanden waarover de bijstand is ingetrokken.

1.3.

Bij besluit van 9 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 4 juli 2011 gerichte bezwaar gegrond verklaard, en het besluit van 4 juli 2011 herroepen, in die zin dat de intrekking en de terugvordering worden beperkt tot de maanden april en december 2009 en februari, mei, oktober en november 2010, de kosten van bijstand over deze maanden worden teruggevorderd tot een bedrag van € 2.615,01 en met toepassing van de afstemmingsverordening een maatregel wordt opgelegd van € 270,-.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was de bijstand over de in 1.2 vermelde maanden in te trekken en terug te vorderen, dat niet is gebleken van een dringende reden om geheel of ten dele van terugvordering af te zien en dat het college terecht een maatregel heeft opgelegd. Daartoe heeft de rechtbank

- samengevat - overwogen dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door bij het college niet te melden dat appellant in de periode van 2 februari 2009 tot en met 23 november 2010 een zestal kentekens voor korte tijd op naam van appellant hebben gestaan, welke tenaamstelling telkens eindigde met de export van de betreffende auto’s. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand ten tijde hier van belang niet mee kan worden vastgesteld, nu appellanten hun stelling dat zij aan de transacties niets hebben overgehouden niet hebben kunnen onderbouwen.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep, onder verwijzing naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden, tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, vormen een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen onder 6.2 tot en met 6.6 van de aangevallen uitspraak - zoals hiervoor samengevat weergegeven - waarop dat oordeel rust. Appellanten hebben daartegenover onvoldoende gesteld.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een veroordeling van het college tot vergoeding van schade bestaat geen grond.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.T.P. Pot

HD