Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
12-3795 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ontheffing te verlenen van de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening waaronder begrepen sociale activering. Forse medische beperkingen. Uit de rapporten van de door het college geraadpleegde psycholoog volgt niet dat deze psycholoog het standpunt heeft ingenomen dat appellant een reëel perspectief heeft op het verkrijgen van reële arbeid. Het college heeft de vraag van de Raad of er een reëel perspectief is op het verkrijgen van reële arbeid verder onbeantwoord gelaten. Ondeugdelijke motivering. De Raad voor ziet zelf door de bedoelde ontheffing te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3795 WWB

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 mei 2012, 11/991 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arentz-Veldkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Sijbrandij.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Namens appellant is gereageerd op de door het college ingediende nadere stukken.

De Raad heeft besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1955, ontving sinds 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Van 2003 tot en met 2009 ontving hij bijstand in aanvulling op inkomsten uit werkzaamheden in deeltijd als stoffeerder. Appellant heeft deze werkzaamheden voor maximaal vijftien uur per week verricht. In trajectplannen uit 2003 en 2005 is vermeld dat appellant niet bij een normale werkgever kon werken. Bij een psychologisch onderzoek op 19 juni 2007 is vastgesteld dat appellant een verminderde vitaliteit en veerkracht heeft en dat een inzet van vijftien uur per week het maximale is. De werkgever van appellant heeft rekening gehouden met zijn beperkingen. In december 2009 heeft appellant wegens toegenomen gezondheidsklachten zijn werkzaamheden bij deze werkgever beëindigd. Het college heeft appellant in afwachting van de uitkomst van een medisch onderzoek vrijgesteld van de actieve arbeidsverplichtingen.

1.2.

In een rapport van 9 september 2010, aangevuld op 8 november 2010, heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat appellant in staat is tot het verrichten van werkzaamheden, ondanks reële fysieke klachten, een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt en een weerstand om werk te hervatten. Volgens deze arts kan appellant stapsgewijs re-integreren.

1.3.

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het college geweigerd appellant te ontheffen van de arbeidsverplichtingen.

1.4.

Hangende het hiertegen gemaakte bezwaar heeft J.H.M. ten Thij (Ten Thij), psycholoog bij Ausems & Kerkvliet, op verzoek van het college psychodiagnostisch onderzoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2011. Namens appellant is een onderzoeksrapport van 7 juli 2011 van G. van der Zwaag (Van der Zwaag), psycholoog bij Aob Compaz, overgelegd. Beide psychologen hebben het standpunt ingenomen dat appellant geen algemeen geaccepteerde arbeid kan verrichten.

1.5.

Bij besluit van 1 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van besluit van 26 januari 2011 gegrond verklaard met vergoeding van kosten van rechtsbijstand en de kosten van het door Van der Zwaag verrichte onderzoek. Het college heeft appellant tijdelijk ontheven van de verplichting tot het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. Het college heeft geweigerd appellant tijdelijk te ontheffen van de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de rapporten van Ten Thij en Van der Zwaag volgt dat appellant beperkingen ondervindt die een intrede op de arbeidsmarkt zeer belemmeren. De vraag of van appellant kan worden verlangd mee te werken aan re-integratie activiteiten gericht op sociale activering, is door Ten Thij bevestigend beantwoord. Volgens het college acht Ten Thij een gefaseerde met voorwaarden omgeven terugkeer op de arbeidsmarkt mogelijk. Van der Zwaag heeft die vraag ontkennend beantwoord. Volgens het college wordt in beide adviezen uitgaan van een tijdelijke situatie en een verbetering mogelijk geacht. Mede gelet op het standpunt van appellant dat de onder 1.2 vermelde werkzaamheden als stoffeerder als sociale activering moeten worden aangemerkt, ziet het college geen reden om aan te nemen dat niet van appellant gevraagd zou kunnen worden dat hij zich beschikbaar stelt voor sociale activering. Hierbij moet rekening worden gehouden met de randvoorwaarden die Ten Thij heeft vastgesteld.

1.6.

Namens appellant is in beroep op 1 december 2011 een rapport van Van der Zwaag van

7 november 2011 overgelegd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de weigering ontheffing te verlenen van de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, niet op goede gronden berust. Appellant stelt dat zijn gezondheidssituatie in de weg staat aan sociale activering en dat geen reëel perspectief bestaat op re-integratie in regulier werk. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de onder 1.6 vermelde deskundige.

4.

Na heropening van het onderzoek door de Raad heeft het college rapporten van Ten Thij van 9 december 2013 en van arbeidsdeskundige A. Elsinga van 6 december 2013 overgelegd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende, voor zover hier van belang, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder b, van de WWB wordt onder arbeidsinschakeling verstaan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder c, van de WWB wordt onder sociale activering verstaan het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400) is voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering voor een aantal uur per week, vereist dat de mogelijkheid bestaat dat de belanghebbende op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, kan verkrijgen. Dit brengt mee dat, indien die mogelijkheid niet bestaat, de belanghebbende niet kan worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening.

5.3.

Uit de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van de bedrijfsarts van 9 september 2010 volgt dat het handelingstempo van appellant aanmerkelijk is vertraagd. Appellant is aangewezen op: werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen, een voorspelbare werksituatie, werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Appellant heeft een chef nodig die hem de nodige vrijheid geeft en hem positief bejegent. Appellant kan meestal geen conflicten hanteren. Voorts heeft appellant beperkingen waar het gaat om dynamische handelingen en statische houdingen.

5.4.

In het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport van 2 mei 2011 heeft Ten Thij geconcludeerd dat appellant structureel gevoelig is voor spanningen en druk. “Dit levert hem reeds gauw onzekerheid, negatieve emoties en stress gerelateerde klachten op. Thans zijn de psychische klachten als relatief mild te omschrijven, mede doordat hij zich sinds lange tijd in de luwte heeft gehouden. De verwachting is dat spanningsklachten enigszins zullen toenemen zodra er weer iets van meneer wordt verwacht, maar deze klachten zijn niet dusdanig ernstig dat hij niets kan. Er is namelijk ook veel weerstand van meneer, aangezien hij weinig gemotiveerd en bereid is om opnieuw geactiveerd te worden. Echter ondanks de verminderde belastbaarheid zijn er nog wel degelijk mogelijkheden mits er rekening wordt gehouden met zijn beperkingen.” Ten Thij acht “het verstandig meneer op een positieve motiverende en simulerende wijze te benaderen. Hem in te laten zien dat het belangrijk is om vooruit te kijken en hem in te laten zien dat hij nog best beschikt over mogelijkheden. Het verstevigen van zijn zelfvertrouwen en eigenwaarde is hierin belangrijk.”

5.5.

In haar rapport van 2 mei 2011 heeft Ten Thij het volgende standpunt ingenomen: “Vanuit een psychologisch oogpunt zal werk cq werkomgeving aan de volgende voorwaarden dienen te voldoen:

- Niet werken onder constante stress of (tijds)druk.

- Taken moet hij in zijn eigen tempo kunnen uitvoeren.

- Bij voorkeur een zelfstandige functie die hij enigszins naar eigen tempo kan uitvoeren,

zonder dat er steeds op zijn vingers gekeken wordt.

- Een niet-autoritaire wijze van leiding geven is raadzaam. Iemand die enigszins met meneer
meedeint en hem positief bejegend is wenselijk.

- Taken dienen overzichtelijk te zijn, en dienen na elkaar plaats te vinden in plaats van door

elkaar heen (daar dit teveel stress met zich mee zal brengen).

- Meneer moet zelfvertrouwen krijgen, aangezien dit thans nogal ontbreekt. Hem positief

motiveren en stimuleren is derhalve raadzaam.

- Bij voorkeur wordt er werk gevonden waar meneer enigszins plezier in heeft, wat zijn

motivatie en coöperatie zal vergroten.

- Uren dienen zeer geleidelijk opgebouwd te worden, vanwege de grote afstand tot de arbeidsmarkt en de weerstand die hij heeft ten aanzien van werkhervatting. Hem gefaseerd laten beginnen, waarbij het advies van de arts omtrent urenopbouw aangehouden kan worden (zie arbeidsmedisch rapport).”

5.6.

In haar rapporten van 7 juli 2011 en 1 december 2011 heeft Van der Zwaag geconcludeerd dat appellant in het dagelijks leven sterk wordt beperkt door een zwak werkgeheugen en een lage verwerkingsstructuur. Voor de toekomst is volgens Van der Zwaag “somber gezien de leeftijd - de veerkracht neemt af - en de persoonlijkheidsstructuur”. Er is meer kans op decompensatie (overspannenheid) wanneer van appellant wordt verwacht dat hij medewerking verleend aan activiteiten gericht op sociale activering. Van der Zwaag raadt een zorgtraject aan om appellant te leren omgaan met pijnklachten. Zij verwacht niet dat appellant door dit traject kan deelnemen aan activiteiten gericht op sociale activering. Volgens Van der Zwaag brengt de persoonlijkheidsstructuur van appellant forse beperkingen met zich mee voor hem en zijn omgeving. Hij kan zich tot nu toe verstaan met deze beperkingen dankzij intelligentie en wilskracht, doch het evenwicht is broos. Dwang en drang maken het evenwicht brozer dan het al is, met alle risico van dien dat opname misschien noodzakelijk wordt.

5.7.

Bij brief van 30 oktober 2013 heeft de Raad het onderzoek heropend en het college verzocht:

1) de onder 5.6 vermelde rapporten van Van der Zwaag voor te leggen aan Ten Thij en haar te vragen of die rapporten haar aanleiding geven tot het maken van nadere opmerkingen. Met name is van belang dat gemotiveerd wordt ingegaan op de punten waarop Van der Zwaag uitgaat van verdergaande beperkingen dan door Ten Thij zijn aangenomen.

2) Aan Ten Thij tevens voor commentaar voor te leggen de onder 5.3 vermelde FML van de bedrijfsarts. Opmerkelijk daarin is het aanmerkelijk vertraagde handelingstempo en de sterke beperking ten aanzien van conflicthantering. Is dit voor Ten Thij nog aanleiding de lijst van mogelijkheden en beperkingen van appellant te herzien? Hierbij is tevens gewezen op het psychologische rapport van 19 juni 2007.

3) de lijst van mogelijkheden en beperkingen van appellant, zoals (mogelijk: nader) vastgesteld door Ten Thij, voor te leggen aan een arbeidsdeskundige met de vraag om gemotiveerd aan te geven of appellant een reëel perspectief heeft op het verkrijgen van reële arbeid.

5.8.

In haar rapport van 9 december 2013 heeft Ten Thij op de eerste vraag in 5.7 geantwoord dat zij geen overtuigende en met testresultaten gestaafde argumenten heeft aangetroffen die wijzen op een dusdanige psychische stoornis of gebrek dat appellant in het geheel niet aan de verplichtingen en verwachtingen zou kunnen voldoen. “Dat er beperkingen zijn moge duidelijk zijn en deze worden in mijn rapportage uitvoerig beschreven. Ik blijf erbij dat betrokkene tot meer in staat is dan hij zelf denkt en aangeeft.” Op de tweede vraag heeft Ten Thij geantwoord dat de uitspraak over het handelingstempo is gebaseerd op fysieke beperkingen die door de bedrijfsarts zijn vastgesteld. Tevens komt dit naar voren uit het intelligentieonderzoek door Van der Zwaag. Deze resultaten neemt Ten Thij voor kennisgeving aan. De vaststelling in de FML dat er een beperkte conflicthantering is wordt door Ten Thij onderschreven. “Dat is ook de reden dat ik zoveel randvoorwaarden heb genoemd waaraan een werksituatie zou moeten voldoen om de kans op succes reëel te maken.” In zijn rapport van 6 december 2013 heeft A. Elsinga, arbeidsdeskundige, de derde vraag van de Raad niet beantwoord.

5.9.

De Raad stelt vast dat de bedrijfsarts, Ten Thij en Van der Zwaag forse beperkingen ten aanzien van appellant hebben aangenomen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat zowel Ten Thij als Van der Zwaag uitgaan van een tijdelijke situatie en een verbetering mogelijk achten. Dit is onjuist waar het gaat om Van der Zwaag. Volgens Van der Zwaag zal de situatie van appellant niet verbeteren door zijn afnemende veerkracht en zijn persoonlijkheidsstructuur. Appellant was ten tijde van het onderzoek door Ten Thij op 2 mei 2011 vijfenvijftig jaar. De vraag of van appellant kan worden verlangd gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is door Ten Thij bevestigend beantwoord. Dit kan inhouden dat appellant een arbeidsplaats krijgt aangeboden die bedoeld is om hem te ondersteunen om een kansrijke positie op de arbeidsmarkt te verkrijgen als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 8 februari 2011(ECLI:NL:CRVB:2011:BP3890). Uit de rapporten van Ten Thij volgt niet dat deze psycholoog het standpunt heeft ingenomen dat appellant een reëel perspectief heeft op het verkrijgen van reële arbeid als bedoeld onder 5.2. In de beperkte conflicthantering van appellant heeft Ten Thij aanleiding gezien de onder 5.5 vermelde voorwaarden te stellen. Hieruit blijkt dat Ten Thij de afstand van appellant tot de arbeidsmarkt groot acht. De Raad heeft het college in de gelegenheid gesteld de vraag of er een reëel perspectief is op het verkrijgen van reële arbeid door een arbeidsdeskundige te laten beantwoorden, maar daarop is geen reactie gekomen.

5.10.

Wat onder 5.1 tot en met 5.9 is overwogen betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de weigering ontheffing te verlenen van de verplichting gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering. Aangezien het besluit van

26 januari 2011 op dezelfde ondeugdelijke motivering berust en het college dit gebrek niet heeft hersteld bestaat aanleiding dit besluit, voor zover dat ziet op voormelde weigering, te herroepen. Overigens laat dit onverlet dat het college aan de hand van actuele adviezen opnieuw de situatie van appellant voor de toekomst kan beoordelen.

6.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.217,50 in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand en op € 446,35 voor het in beroep overgelegde deskundigenadvies, in totaal dus € 1.663,85.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 augustus 2011 voor zover dat

ziet op de weigering ontheffing te verlenen van de verplichting gebruik te maken van een

door het college aangeboden voorziening waaronder begrepen sociale activering;

  • -

    herroept het besluit van 26 januari 2011 voor zover dat ziet op deze weigering;

  • -

    verleent ontheffing van de verplichting gebruik te maken van een door het college

aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op

arbeidsinschakeling, en wel tot 1 mei 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van hert besluit van 1 augustus 2011;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.663,85;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

HD