Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
12-3976 WAO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WAO-uitkering. Geen toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellante tot 2003 een WAO-uitkering heeft gehad. In de FML van 2003 zijn weliswaar geen beperkingen vastgelegd in verband met de schildklieraandoening, maar in de periode direct voorafgaand aan de intrekking van de WAO-uitkering werd appellante beperkt geacht in verband met schilklierklachten. In verband met een schildklierontsteking heeft het Uwv met ingang van september 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante verhoogd naar 80 tot 100%. Het Uwv heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken of in 2004 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van de schildklieraandoening. Geen deugdelijke medische grondslag. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3976 WAO-T

Datum uitspraak: 4 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

7 juni 2012, 11/3883 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Scheepers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Scheepers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is bekend met chronische psychiatrische problematiek (bipolaire stoornis) met daarvoor ingestelde medicatie (Lithium). Vanaf 8 juli 1996 ontving appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 30 november 1997 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%. In verband met een toename van de psychische klachten en schildklierklachten is appellante vanaf 9 oktober 2002 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd. Bij besluit van 14 april 2003 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 15 juni 2003 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Appellante heeft zich 19 september 2006 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Deze melding is door het Uwv niet verder in behandeling genomen. Vervolgens heeft appellante op 10 maart 2011 opnieuw een verzoek om herziening van de WAO-uitkering gedaan in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van mei 2004.

1.2. Bij besluit van 14 april 2011 heeft het Uwv aan appellante bericht dat zij met toepassing van artikel 43a van de WAO, geen WAO-uitkering krijgt. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 13 april 2011 ten grondslag. Het Uwv is van mening dat in de periode 15 juni 2003 tot 15 juni 2008 geen periode is aan te wijzen van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellante tot

15 juni 2003 een WAO-uitkering heeft gehad.

1.3. Bij besluit van 12 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 april 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is door het Uwv het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 11 augustus 2011 ten grondslag gelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 maart 2003 geen beperkingen zijn opgenomen vanwege een schildklierprobleem. Verder is sprake van een bipolaire stoornis met een stabiel beeld sinds mei 2004.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen en de juistheid van het standpunt van het Uwv dat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat sprake was van toegenomen beperkingen vanaf 19 mei 2004. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft beoordeeld of sprake is van toegenomen beperkingen nĂ¡ 2004. Wat betreft de schildklier problematiek stelt appellante zich op het standpunt dat zij hier al in 2001 bekend mee was. n verband met een herhaalde schildklierontsteking is het arbeidsongeschiktheidspercentage met ingang van 11 september 2002 verhoogd naar 80 tot 100. Ten tijde van de intrekking van de WAO uitkering in 2003 was appellante wel hersteld van de symptomen, maar niet van de onderliggende aandoening. Achteraf is gebleken dat sprake is van een chronische schildklierontsteking. Appellante heeft een brief overgelegd van internist-endocrinoloog dr. H.J.L.M. Timmers van 11 juli 2011, waarin melding wordt gemaakt van schildklierontstekingen in 1986, 2002, 2003, 2004, 2005 en 2008. In mei 2009 heeft een totale schildklierverwijdering plaatsgevonden. Verder heeft appellante gesteld dat er een directe relatie bestaat tussen de lithium (voorgeschreven voor de psychische klachten) en het ontstaan van de schildklierontsteking.

3.2.

Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat appellante ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering 2003 niet beperkt was voor schildklierproblematiek.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante op grond van artikel 43a van de WAO aanspraak heeft op een uitkering vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid, gedurende vier weken na 19 mei 2004, de datum waarop naar de mening van appellante sprake is van een verslechterde gezondheidstoestand.

4.2.

In artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet kan plaatsvinden indien degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de uitkering werd genoten en onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient vast te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar de uitspraak van 20 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP0012. De bewijslast rust in beginsel op degene die het standpunt inneemt dat geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval.

4.4.

Ten aanzien van de psychische klachten wordt het volgende overwogen. De psychische beperkingen van appellante ten tijde van de effectuering van de intrekking zijn terug te vinden in de FML van 11 maart 2003. Het Uwv heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische klachten verwezen naar de brief van psychiater dr. J.G.E. Janzing van 9 december 2010, waarin melding wordt gemaakt van een bipolaire stoornis die een stabiel beeld vertoont. In een brief van 30 maart 2012 meldt psychiater Janzing evenwel dat appellante in 2003 niet bij hem in behandeling was en dat appellante zich in 2004 onder behandeling heeft gesteld met een toename van klachten. Het Uwv heeft nagelaten te onderzoeken of tussen de datum van effectuering van de intrekking (15 juni 2003) en de bij de melding van de toegenomen arbeidsongeschiktheid in aanmerking te nemen datum (19 mei 2004) sprake is van toegenomen beperkingen op grond van de psychische klachten.

4.5.

Ten aanzien van de schildklierproblematiek heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat niet gesproken kan worden van dezelfde ziekteoorzaak in de zin van artikel 43a van de WAO. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt dat appellante in 2001 een schildklierontsteking heeft meegemaakt. Ook in het verzekeringsgeneeskundige rapport van 11 maart 2003 wordt melding gemaakt van een schildklierontsteking. In de FML van

11 maart 2003 zijn weliswaar geen beperkingen vastgelegd in verband met de schildklieraandoening, maar in de periode direct voorafgaand aan de intrekking van de

WAO-uitkering werd appellante beperkt geacht in verband met schilklierklachten. In verband met een schildklierontsteking heeft het Uwv met ingang van september 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante verhoogd naar 80 tot 100%. Het Uwv heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken of in 2004 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van de schildklieraandoening.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van

artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) H.J. Dekker

IvR