Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
13-4362 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Geschikt voor ten minste één van de geselecteerde functies in het kader van de WAO-beoordeling. Met juistheid heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de conclusies in het rapport en de nadere reactie van de door haar geraadpleegde deskundigen niet te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4362 ZW

Datum uitspraak: 4 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 juli 2013, 11/2322 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1979 uitgevallen voor haar werk als gezinsverzorgster wegens psychische en locomotore klachten. Vanaf 1980 heeft zij een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Vanaf 31 juli 2008 is deze uitkering vanwege geschiktheid voor passende functies herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens heeft appellante vanaf die datum een aanvullende werkloosheidsuitkering ontvangen.

1.2. Op 4 februari 2011 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld met toegenomen klachten. Bij medisch onderzoek op 21 april 2011 is vastgesteld dat sprake is van al vele jaren bestaande chronische diffuse klachten van het houdings- en bewegingsapparaat, mogelijk op basis van fybromyalgie. Verder is sprake van chronische moeheidsklachten en IBS-klachten. De toestand van appellante is volgens de verzekeringsarts medisch objectief niet wezenlijk veranderd ten opzichte van die bij voorgaande arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. De eerder gestelde beperkingen zijn onveranderd van toepassing. Volgens de verzekeringsarts is appellante met ingang van 9 mei 2011 nog steeds geschikt te achten voor ten minste een van de eerder geduide functies. Bij besluit van 21 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 9 mei 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3. Het Uwv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 17 augustus 2011
- in navolging van de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts neergelegd in het rapport van 15 augustus 2011 - ongegrond verklaard. Daarbij heeft deze bezwaarverzekeringsarts informatie van orthopedisch chirurg J.P.A.H. Onderwater betrokken.

2.1. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt dat zij niet in staat is een van de haar voorgehouden functies te vervullen informatie overgelegd van klinisch geneticus prof. dr. I.M. van Langen en drs. J.S. Klein Wassink-Ruiter van 5 januari 2012. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop zijn zienswijze gegeven.

2.2. Op verzoek van de rechtbank heeft een multidisciplinair deskundigenonderzoek plaatsgevonden door revalidatiearts drs. A. Coster, psychiater dr. D.M. Tulner en neuroloog drs. J.G. Koster, allen werkzaam bij Cavari Clinics. Uit het door deze deskundigen opgestelde rapport van 23 oktober 2012 blijkt dat Coster, Tulner en Koster zich met de beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts kunnen verenigen. Het Uwv is volgens hen uitgegaan van de juiste objectiveerbare afwijkingen en heeft op juiste wijze de daaruit voortvloeiende beperkingen vastgesteld. Appellante heeft zich niet met de conclusies uit het rapport kunnen verenigen. Zij is van mening dat haar bekkenklachten in het deskundigenrapport onderbelicht zijn gebleven. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van de huisarts van 26 november 2012 en een verslag van een onderzoek naar hypermobiliteit van reumatoloog dr. M. Vis overgelegd. Namens het multidisciplinaire team heeft
dr. R.B. van Dijk, cardioloog en coördinerend medisch specialist gereageerd op de brief van dr. Vis en de eerdere conclusies gemotiveerd gehandhaafd.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van Coster, Tulner en Koster. De rechtbank is van oordeel dat dit rapport zorgvuldig tot stand is gekomen, consistent is en naar behoren gemotiveerd. De deskundigen hebben een anamnese afgenomen, appellante onderzocht en kennis genomen van de in het dossier aanwezige medische informatie. Er is volgens de rechtbank, gelet op het deskundigenrapport, geen reden voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Ook uit het verslag van het door appellante overgelegde rapport van dr. Vis blijkt volgens de rechtbank niet dat appellante meer beperkt moet worden geacht.

3.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald, dat zij niet in staat kan worden geacht ten minste één van de voorgehouden functies te vervullen. Voor appellante staan de door bindweefselproblemen ontstane gewrichtsklachten centraal, die volgens haar voldoende geobjectiveerd zijn. De rechtbank had volgens appellante een reumatoloog als onafhankelijk deskundige moeten raadplegen, aangezien een deskundige van deze discipline bij uitstek gewrichtsklachten kan beoordelen. Verder is volgens appellante bij de beoordeling onvoldoende rekening gehouden met de chronische pijn.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste, en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkene’s aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteld verklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

De rechtbank heeft teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de medische beoordeling door het Uwv een multidisciplinair team geraadpleegd om haar van verslag en advies te dienen. Zij heeft geen reden gezien om de conclusies in het rapport van de deskundigen niet te volgen. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:BY8139) geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Naar aanleiding van de door appellante aangevoerde bezwaren hiertegen, waarbij appellante onder meer heeft verwezen naar een rapport van reumatoloog Vis, hebben Coster en Tulner toegelicht dat Vis geen diagnose heeft gesteld en geen hypermobiliteit heeft kunnen vaststellen. Zij hebben in het rapport van Vis dan ook geen reden gezien om hun eerdere conclusies te wijzigen. Met juistheid heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de conclusies in het rapport en de nadere reactie van de door haar geraadpleegde deskundigen niet te volgen.

4.3.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van een deskundigenonderzoek door een reumatoloog wordt overwogen dat Coster, Tulner en Koster hiervoor geen reden zagen. Het rapport van reumatoloog Vis, als weergegeven onder 4.2, biedt daarvoor naar het oordeel van de Raad evenmin voldoende aanknopingspunten.

5.

Uit overweging 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) H.J. Dekker

NK