Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
11-6308 WMO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5886, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen tegemoetkoming in de verhuiskosten. De aanvraag is terecht afgewezen nu de verhuizing van appellant niet het gevolg was van de belemmeringen die hij in zijn ouderlijke woning ondervond ten gevolge van zijn beperkingen, maar van de wens van appellant om zelfstandig te gaan wonen. Appellant heeft zijn betoog dat hij gedwongen was om te verhuizen omdat ROGplus niet bereid was om voorzieningen in de ouderlijke woning te treffen, niet met feiten onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6308 WMO

Datum uitspraak: 21 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 oktober 2011, 11/349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het gemeenschappelijk orgaan ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (ROGplus)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

ROGplus heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2013. Appellant is met bericht niet verschenen. ROGplus heeft zich laten vertegenwoordigen door I. de Vries. Na de zitting is het onderzoek heropend en de zaak voor behandeling naar de meervoudige kamer verwezen. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 9 april 2014. Voor appellant is mr. De Jonge verschenen. ROGplus heeft zich laten vertegenwoordigen door

De Vries.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1979, lijdt onder meer aan de ziekte van Bechterew als gevolg waarvan hij mobiliteitsbeperkingen heeft. Op 2 september 2010 heeft appellant ROGplus verzocht hem op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een tegemoetkoming in de verhuiskosten te verstrekken.

1.2.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft ROGplus de aanvraag om een tegemoetkoming in de verhuiskosten afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 27 december 2010 (bestreden besluit) heeft ROGplus het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2010 ongegrond verklaard. ROGplus heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd, samengevat, dat het gaat om een algemeen gebruikelijke verhuizing omdat appellant voor het eerst zelfstandig gaat wonen vanuit het ouderlijk huis en dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning Nieuwe Waterweg Noord 2008 (Verordening) in dat geval aan een tegemoetkoming in de weg staat.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat ROGplus met de vereiste zorgvuldigheid onderzoek heeft gedaan naar alle relevante omstandigheden en op grond daarvan heeft vastgesteld dat appellant weliswaar ergonomische beperkingen ondervond in de flat van zijn ouders, maar dat appellant, mede gelet op de door hem bij zijn aanvraag geuite wens om zelfstandig te gaan wonen, zich wat betreft de verhuiskosten niet onderscheidde van een persoon zonder beperkingen die het ouderlijk huis gaat verlaten en daarvan zelf de kosten moet dragen. ROGplus heeft terecht geoordeeld dat het uitgangspunt dat algemeen gebruikelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen zich tegen de gevraagde tegemoetkoming verzet, zoals ook vastgelegd in de Verordening.

3.1.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

ROGplus heeft ter zitting te kennen gegeven dat het bestreden besluit is gebaseerd op zowel het gestelde onder e als het gestelde onder f van artikel 21 van de Verordening.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo, houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

4.1.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

4.1.3. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Vlaardingen uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening.

4.1.4. In artikel 21 van de Verordening is bepaald, voor zover hier van belang:

“Uitsluitingsgronden

De aanvraag voor een woonvoorziening (…) wordt geweigerd indien:

e. de aanvrager verhuist op het moment dat op basis van onder meer leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie, de verhuizing ook zonder de beperking algemeen gebruikelijk zou zijn geacht;

f. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen (…).”

4.2.

Appellant heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO8856) aangevoerd dat artikel 21, aanhef en onder f, van de Verordening in strijd is met artikel 4, tweede lid, van de Wmo nu de formulering geen ruimte laat voor een op het individu toegespitste beoordeling. Uitgaande van een op appellant toegespitste beoordeling had hij recht op een vergoeding omdat verhuizing medisch noodzakelijk was zoals uit onderzoek gebleken was.

4.3.

Onder verwijzing naar de in 4.2 genoemde uitspraak, waarin de toepassing van een met artikel 21, aanhef en onder e, van de Verordening vergelijkbare verordeningsbepaling aan de orde was, overweegt de Raad het volgende. Bij een verhuizing spelen te veel (individuele) factoren een rol om deze uitsluitend op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie als algemeen gebruikelijk te kwalificeren. De keuze om voor personen als appellant de stap om te verhuizen als algemeen gebruikelijk te kwalificeren in verband met de overgang naar een volgende levensfase, berust op een niet in de wet genoemde uitsluitingsgrond en leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen als appellant van de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo. De Raad wijst in dit verband vergelijkenderwijs op artikel 4, tweede lid, van de Wmo, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2010: “Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.” De Raad leidt uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2008-2009, 31795, nr. 12) af dat het de bedoeling van de wetgever is geweest een einde te maken aan de hier en daar bestaande praktijk om geen woonvoorziening toe te kennen, indien een verhuizing samenhangt met een verandering van gezins- of woonsituatie, bijvoorbeeld omdat een huis vanwege gezinsuitbreiding te klein wordt, of juist te groot, bijvoorbeeld bij oudere mensen.

4.4.

Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het gestelde in artikel 21, aanhef en onder e, van de Verordening, geldt eveneens ten aanzien van het gestelde in artikel 21, aanhef en onder f, van de Verordening, nu ook dit onderdeel leidt tot een generieke uitsluiting van een categorie personen zonder in het individuele geval rekening te houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen. Het betoog van ROGplus dat uit de uitspraak van de Raad van 4 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3880) valt af te leiden dat artikel 21, aanhef en onder f, van de Verordening niet in strijd met de Wmo is, gaat niet op nu de verbindendheid van de vergelijkbare bepaling uit de lokale verordening in dat geding niet in geschil was.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat ROGplus de aangevraagde tegemoetkoming in de verhuiskosten in strijd met de wet heeft geweigerd zodat het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij deze beslissing ten onrechte in stand is gelaten, moet worden vernietigd.

4.6.

De Raad zal vervolgens de vraag beantwoorden of in het kader van de finale beslechting van dit geschil de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.7.

ROGplus heeft onderzoek verricht naar aanleiding van de aanvraag van appellant. ROGplus is geadviseerd door de verzekeringsarts M.J. Gerritze van Salude Deskundige Dienst in een rapport van 21 september 2010. Door de behandelaar M. Slagter van ROGplus is onderzoek verricht dat is vastgelegd in een rapport van 12 oktober 2010. De Raad is van oordeel dat ROGplus met dit onderzoek de persoonskenmerken en behoeften van appellant voldoende in kaart heeft gebracht.

4.8.

Uit het rapport van 12 oktober 2010 blijkt dat appellant zowel in juli 2010 ten overstaan van een medewerker als in de aanvraag voor de verhuiskostenvergoeding van

2 september 2010 te kennen heeft gegeven dat hij op zichzelf wilde gaan wonen. Hieruit volgt dat de aanvraag terecht is afgewezen nu de verhuizing van appellant niet het gevolg was van de belemmeringen die hij in zijn ouderlijke woning ondervond ten gevolge van zijn beperkingen, maar van de wens van appellant om zelfstandig te gaan wonen. Appellant heeft zijn betoog dat hij gedwongen was om te verhuizen omdat ROGplus niet bereid was om voorzieningen in de ouderlijke woning te treffen, niet met feiten onderbouwd.

5.

Het door appellant gedane verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat niet is gebleken van schade. Het verzoek is voorts niet onderbouwd.

6.

Er bestaat aanleiding ROGplus te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden voor rechtsbijstand begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 december 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt ROGplus in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.948,-;

- bepaalt dat ROGplus het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) J.C. Hoogendoorn

JvC