Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
10-6835 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. De door de Raad geraadpleegde psychiaters kunnen zich verenigen met de in de FML in de rubrieken 1, 2 en 6 opgenomen beperkingen voor appellant, maar achten het aannemelijk dat appellant in februari 2008 niet in staat was zelfstandig te reizen. Er zijn echter in de beschikbare medische informatie geen aanwijzingen te vinden voor de conclusie dat appellant in februari 2008 in het geheel niet in staat was om zich zelfstandig buitenshuis te verplaatsen. Appellant kan ondanks de voor hem vastgestelde beperkingen in staat worden geacht de geduide functies in een volledige dagtaak te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6835 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

12 november 2010, 10/923 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 mei 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Vogel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2012. Appellant is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Boumanjal, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

Na de zitting is het onderzoek heropend en is aan een psychiater verzocht te rapporteren aan de hand van enkele vragen. Op 19 juli 2013 hebben psychiater I. Visser en psychiater in opleiding S. Dragt gerapporteerd. Naar aanleiding van een reactie op dit rapport hebben de psychiaters bij brief van 13 september 2013 hun conclusies nader toegelicht.

Vervolgens hebben partijen nog enkele brieven aan de Raad gezonden en bij brief van

17 maart 2014 heeft psychiater Visser een nadere vraag van de Raad beantwoord.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening van het geschil zonder nadere zitting.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als assistent autotechnicus. Op

17 december 2001 heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt wegens lage rugklachten. Nadien zijn tevens depressieve klachten geconstateerd. Het Uwv heeft met ingang van 16 december 2002 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een psychiatrische expertise heeft het Uwv de aan appellant toegekende WAO-uitkering per

3 april 2006 ingetrokken. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen deze intrekking is bij beslissing op bezwaar van 30 mei 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

1.2. Op 8 november 2007 heeft appellant zich ziek gemeld. Hij ontving toen een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

1.3. Bij besluit van 8 september 2009 heeft het Uwv geweigerd per 28 februari 2008 een uitkering ingevolge de WAO aan appellant toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder bedraagt dan 15%. Aan dit besluit ligt een medische en een arbeidskundige beoordeling ten grondslag. Een verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellant vanaf 1 februari 2008 sprake is van toegenomen beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid en heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Rekening houdend met deze FML heeft een arbeidsdeskundige appellant vervolgens geschikt geacht een aantal functies te vervullen, waarin het verlies aan verdiencapaciteit ten opzichte van het maatmaninkomen nihil is.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 8 september 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een bezwaarverzekeringsarts ten grondslag, die zijn conclusie mede heeft gebaseerd op medische informatie over appellant, verkregen van de behandelend GZ-psycholoog van appellant.

2.1. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft het Uwv een nader rapport van een bezwaararbeidsdeskundige in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat na overleg met de bezwaarverzekeringsarts is besloten de FML voor appellant iets te wijzigen en tevens enkele nieuwe functies te duiden.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Daartoe is overwogen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat het ontoereikend is gemotiveerd. In het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ziet de rechtbank een genoegzame onderbouwing van de belastbaarheid van appellant. Nu het in beroep overgelegde arbeidskundige rapport een deugdelijke arbeidskundige grondslag vormt, heeft de rechtbank aanleiding gevonden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat in verband met zijn psychische klachten meer beperkingen voor hem gelden en dat hij niet in staat is de voorgehouden functies te vervullen. Verzocht is om een deskundige in te schakelen ter beoordeling van de ernst van de klachten van appellant.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft besloten de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij spitst het geschil zich toe op de nadere vragen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit is gebaseerd op een genoegzame onderbouwing van de belastbaarheid van appellant en of de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld.

4.2.

De door de Raad als deskundigen ingeschakelde psychiaters Visser en Dragt zijn in hun rapport van 19 juli 2013 tot de conclusie gekomen dat er bij appellant sprake is van een recidiverende depressieve stoornis, ernstig, en dat er geen aanwijzingen zijn voor psychotische klachten. De eerder bestaande klachten, geduid als een paniekstoornis, lijken ten tijde van het onderzoek minder typisch en ernstig op de voorgrond te staan en worden geduid als paniekstoornis met agorafobie in partiële remissie. De psychiaters kunnen zich verenigen met de in de FML in de rubrieken 1, 2 en 6 opgenomen beperkingen voor appellant, maar achten het aannemelijk dat appellant in februari 2008 niet in staat was zelfstandig te reizen. Naar aanleiding van een nadere vraag van de Raad heeft psychiater Visser meegedeeld dat geen definitieve uitspraak is te doen over de mogelijkheid voor appellant om in februari 2008 zonder begeleiding met een taxi te reizen, omdat de ernst van de agorafobische klachten in februari 2008 onduidelijk is en ook niet is af te leiden uit de huidige informatie.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Daarbij zal de bestuursrechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ten aanzien van de conclusies in het rapport zijn, met uitzondering van het al dan niet zelfstandig kunnen reizen, geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze. Er is dan ook in zoverre geen aanleiding de bevindingen van de deskundigen niet te volgen.

4.4.

Ten aanzien van de, mogelijk voor appellant in februari 2008 geldende, beperking in het zelfstandig kunnen reizen naar werkgevers, moet allereerst vastgesteld worden dat deskundige Visser in haar brief van 17 maart 2014 heeft vermeld dat hierover geen definitieve uitspraak kan worden gedaan, omdat dit afhankelijk is van de ernst van de agorafobische klachten in februari 2008, die toentertijd nooit is beoordeeld. Voorts heeft het Uwv een rapport van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd waarin is opgemerkt dat er in de beschikbare medische informatie geen aanwijzingen zijn te vinden voor de conclusie dat appellant in februari 2008 in het geheel niet in staat was om zich zelfstandig buitenshuis te verplaatsen. Op grond van deze gegevens in onderling verband bezien moet geconcludeerd worden dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat appellant in februari 2008 niet in staat was zelfstandig te reizen naar - potentiële - werkgevers. Voor zover vanaf enig moment wel sprake is of is geweest van een zodanige beperking wordt erop gewezen dat appellant dan in beginsel in aanmerking had kunnen of kan komen voor een vervoersvoorziening op grond van artikel 65e van de WAO.

4.5.

Ten aanzien van de medische geschiktheid van de geduide functies is door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat appellant ondanks de voor hem vastgestelde beperkingen in staat kan worden geacht deze functies in een volledige dagtaak te vervullen. Voor zover in de functie van productiemedewerker voedingsindustrie op het aspect ‘reiken’ sprake is van een niet acceptabele overschrijding van de aanzienlijk hogere frequentie, kan dat niet leiden tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid nu voldoende andere functies voor appellant resteren.

4.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd dient te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) I.J. Penning

IvR