Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
12-2147 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:764, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum AOW-pensioen juist vastgesteld. Geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot eerdere ingangsdatum.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2147 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 maart 2012, 11/4485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013. Voor appellante zijn verschenen mr. Klaver en drs. ing. H.F.M. van de Ven. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

Het onderzoek is heropend na de zitting en de Raad heeft de Svb vragen gesteld.

Partijen hebben stukken overgelegd en nadere standpunten ingenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 april 2014. Voor appellante zijn verschenen mr. Klaver en drs. ing. Van de Ven. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN



1.1. Appellante is op [geboortedatum] 1922 in Nederland geboren en heeft tot september 1953 in Nederland gewoond. Op 5 september 1953 is zij gehuwd en is zij naar België verhuisd. Door haar huwelijk heeft zij de Britse nationaliteit verkregen. Zij heeft afstand gedaan van de Nederlandse nationaliteit. Vervolgens is zij in 1970 naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd en in 1984 weer teruggekeerd naar België. Appellante ontvangt een onvoorwaardelijk rustpensioen zelfstandigen en een onvoorwaardelijk overlevingspensioen zelfstandigen uit België. Op 30 november 2000 is zij verhuisd naar Nederland en op 10 december 2001 heeft zij de Nederlandse nationaliteit herkregen.

1.2. Nadat namens appellante op 28 februari 2011 telefonisch contact is opgenomen met de Svb, heeft zij op 11 maart 2011 bij de Svb een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd.

1.3. De Svb heeft appellante bij besluit van 16 maart 2011 met ingang van februari 2010 een ouderdomspensioen toegekend waarop een korting is toegepast van 60% voor 30 niet verzekerde jaren. Appellante wordt geacht verzekerd te zijn geweest van haar 15e verjaardag tot 1 januari 1957 op grond van de artikelen 55 en 56 van de AOW.

1.4. In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval en dat het ouderdomspensioen dient te worden toegekend met een terugwerkende kracht van vijf jaar. Appellante is voor de invoering van de AOW naar het buitenland vertrokken en kon dus niet op de hoogte zijn van de invoering daarvan. Appellante is toen zij 65 jaar werd noch toen zij zich weer in Nederland vestigde op de hoogte gesteld van het feit dat zij recht op ouderdomspensioen had. Tot slot is voldaan aan de eis van financiële hardheid.



1.5. Bij besluit van 15 juli 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren ongegrond verklaard.

1.6. In beroep is aangevoerd dat appellante in 1987 in het kader van het Belgisch pensioen bij de partner van de Svb, de Rijksdienst voor Pensioenen te Brussel, is geweest. Appellante gaat ervan uit dat de Rijksdienst voor Pensioenen de zaak heeft doorgeleid naar de Svb en dat tussen deze twee instanties contact is geweest. Dat maakt dat sprake is van een bijzonder geval. De Svb heeft gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat er vóór februari 2011 contact is geweest tussen de Svb en de Rijksdienst voor Pensioenen in België of de Svb en appellante. Van appellante is geen dossier aanwezig uit die tijd, omdat namens haar eerst op

28 februari 2011 contact is opgenomen met de Svb. Eerst toen is een dossier aangemaakt.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep naar haar in bezwaar en beroep geuite gronden verwezen en in het bijzonder aangevoerd dat haar onbekendheid met het recht op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW verschoonbaar is door het langdurig buiten Nederland wonen en haar hoge leeftijd.

3.2.

De Svb heeft zich bij brief van 3 juni 2013 nader op het standpunt gesteld dat appellante op grond van Bijlage VI van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) aanspraak kon maken op een gedeeltelijke AOW-uitkering, ook voordat zij in november 2006 aan de voorwaarden voor de overgangsvoordelen van de artikelen 55 en 56 van de AOW voldeed. In Bijlage VI, onderdeel R, onder 2, sub a, van Vo 1408/71 is immers geregeld dat - als iemand geen aanspraak kan maken op de overgangsvoordelen - de korting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de AOW niet wordt toegepast voor kalenderjaren of delen van kalenderjaren die vóór 1 januari 1957 zijn gelegen en gedurende welke de rechthebbende tussen zijn 15e en 65e levensjaar in Nederland heeft gewoond. Dat betekent dat appellante aanspraak op AOW kon maken op basis van het tijdvak gelegen tussen haar 15e verjaardag (op [geboortedatum] 1937) en 5 september 1953 (haar vertrek naar België). Voorts neemt de Svb op grond van zijn beleid aan dat sprake is van een bijzonder geval. Appellante was onbekend met haar mogelijke recht op pensioen en die onbekendheid was verschoonbaar, omdat het recht op uitkering voortvloeit uit bijzondere verdragsbepalingen. Tot slot heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat appellante geen beroep kan doen op artikel 44 van Vo 1408/71, omdat de Belgische pensioenen niet op aanvraag doch ambtshalve zijn toegekend. Daarom kan artikel 44 van

Vo 1408/71 appellante niet baten, aldus de Svb.

3.3.

Omdat de Svb heeft aangenomen dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 16, tweede lid, van de AOW, heeft de Svb onderzocht of het van hardheid zou getuigen te volstaan met een terugwerkende kracht van een jaar, zoals verwoord in het beleid. De Svb is, op grond van de door appellante overgelegde financiële stukken over de periode van 2003 tot en met 2010, tot de conclusie gekomen dat appellante vanaf 2006 schade heeft geleden ter hoogte van € 9.368,13. Om de schade te compenseren, heeft de Svb gesteld dat de ingangsdatum van het ouderdomspensioen bepaald dient te worden op februari 2008. Over de periode van 1987 tot en met 2002 heeft appellante geen financiële stukken overgelegd.

3.4.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op ouderdomspensioen ingevolge de AOW met ingang van 1987, toen zij 65 jaar werd. Voorts heeft zij het standpunt ingenomen dat het niet meer voorhanden zijn van financiële stukken niet voor haar risico dient te komen. Tot slot is appellante het niet eens met de berekening van de schade en de hardheid.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is thans nog in geschil of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ingangsdatum van het aan appellante toegekende ouderdomspensioen dient te worden gesteld op februari 2008.



4.2. Tussen partijen is niet meer in geschil dat aan appellante Belgische pensioenen zijn toegekend zonder dat een aanvraag is ingediend. Niet alleen uit navraag van de Svb doch ook uit onderzoek van de zijde van appellante is gebleken dat in België geen aanvraag is ingediend. Artikel 44, tweede lid, van Vo 1408/71 en artikel 36, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 574/72 (Vo 574/72) waarin voor ouderdomspensioenen het beginsel is neergelegd dat een aanvraag van ouderdomspensioen in het ene land automatisch leidt tot een toekenning van rechten op grond van de wetgeving van andere lidstaten, als aan de voorwaarden is voldaan, kan haar om die reden niet baten. Appellante heeft immers in België geen aanvraag gedaan.

4.3.

Tussen partijen is nog wel in geschil of artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW juist is toegepast. Ingevolge artikel 16, eerst lid, van de AOW gaat het ouderdomspensioen in op de eerste dag van de maand, waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet. In het geval van appellante is dat 1 november 1987. Het tweede lid bepaalt echter dat een ouderdomspensioen niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend of ambtshalve toekenning plaatsvond. In de tweede volzin van dit artikellid is voorts bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin. De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een bijzonder geval.

4.4.

De Svb voert ten aanzien van de bevoegdheid neergelegd in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW het beleid dat die bevoegdheid slechts wordt gebruikt als het van hardheid zou getuigen te volstaan met een terugwerkende kracht van één jaar. Van een dergelijke hardheid is sprake indien een persoon schade heeft geleden als gevolg van het niet aanvragen van de uitkering waarop hij recht zou hebben gehad. Deze schade wordt geacht te zijn opgetreden indien zijn netto-inkomen mede door het niet tijdig aanvragen van de desbetreffende uitkering, onder de voor hem geldende minimumnorm is gedaald in de periode welke is gelegen tussen de datum van de aanspraak gevende gebeurtenis en de datum die ligt één jaar voor de aanvraag. Voor de bepaling van het netto-inkomen worden alle inkomensbestanddelen van de gerechtigde en zijn eventuele partner in aanmerking genomen. Als minimumnorm voor toepassing op de AOW gelden de op de desbetreffende situatie toepasselijke volledige netto-uitkeringsbedragen als genoemd in artikel 9 van de AOW.

4.5.

Appellante heeft zich beroepen op beleidsregels van de Svb uit 1996. Appellante wordt hierin niet gevolgd. Het beleid ziet op de vraag hoe thans moet worden gehandeld bij aanvragen voor een uitkering met een ingangsdatum in het verleden. Uit de aard van de materie vloeit voort dat het beleid moet worden gehanteerd dat geldt op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan en daarop wordt beslist.

4.6.

Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van de minimumnorm het vakantiegeld en de tegemoetkoming AOW moeten worden meegerekend. Het beleid verwijst evenwel naar de uitkeringsbedragen genoemd in artikel 9 van de AOW. De vakantie-uitkering en de tegemoetkoming worden niet genoemd in artikel 9 van de AOW. Niet gezegd kan worden dat het buiten beschouwing laten van de vakantie-uitkering en de tegemoetkoming, een kennelijke onredelijke invulling van de beleidsvrijheid van de Svb is.

4.7.

Met betrekking tot appellantes stelling dat het ontbreken van financiële gegevens over de jaren van 1987 tot en met 2002 haar niet tegengeworpen kan worden en voor risico van de Svb komt, wordt als volgt overwogen. Bij besluiten op aanvraag, zoals het onderhavige, ligt de bewijslast voor de (rechts)feiten die tot het nemen van het gevraagde besluit leiden in hoofdzaak bij de aanvrager. Daarvoor is te meer grond indien de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedssfeer van de aanvrager. In het onderhavige geval is hiervan sprake. Appellante heeft eerst in 2011 een aanvraag voor een ouderdomspensioen gedaan. Dat de Svb naar aanleiding van deze aanvraag aanvankelijk - ten onrechte - tot de conclusie kwam dat appellante bij een tijdige aanvraag eerst vanaf 2006 recht op ouderdomspensioen kon hebben, kan daar niet aan afdoen. Appellante wordt voorts niet gevolgd in haar stelling dat haar inkomen over de jaren vóór 2002 op grond van algemene economische indicatoren moet worden geëxtrapoleerd.

4.8.

Geconcludeerd moet worden dat het in 4.4 weergegeven beleid niet kennelijk onredelijk is, dat het nadere standpunt van de Svb in overeenstemming met het beleid is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot afwijking van het beleid. Dit betekent dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ingangsdatum van het pensioen op grond van artikel 16, tweede lid, van de AOW februari 2008 dient te zijn.

4.9.

Uit hetgeen is overwogen in 3.2 en 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Uit 4.8 blijkt dat er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 16 maart 2011 te herroepen, omdat de ingangsdatum van het ouderdomspensioen daarin op februari 2008 had moeten worden gesteld.

5.

Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.461,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 170,54 aan (reis)kosten in (hoger) beroep. De Svb heeft toegezegd de wettelijke rente te zullen vergoeden.

BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep


vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 juli 2011;

- herroept het besluit van 16 maart 2011 en bepaalt dat appellante met ingang van februari 2008 recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.605,54;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) D.E.P.M. Bary

JL