Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1855

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
12-6400 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid anders dan door ziekte of gebreken: betrokkene heeft fout toegegeven en geen reele kans gehad haar functioneren te verbeteren. Door handelen van betrokkene bestond het risico dat een valse factuur ongemerkt kon passeren. Handelwijze rechtvaardigt echter niet zonder meer ongeschiktheidsontslag. Twijfel met betrekking tot geschiktheid voor functie. Echter geen sprake van de uitzonderlijke situatie dat betrokkene niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling zou beschikken dat het bestuursorgaan een verbeterkans niet zinvol kon achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6400 AW

Datum uitspraak: 28 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 oktober 2012, 12/1652 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Siemons, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.K. Rack, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Siemons en A. Willebrands. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was sinds 2008 werkzaam in de functie van medewerker uitvoering C op de afdeling Financiële Controle en Juridische Zaken, onderafdeling Rekening en Administratie, van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam.

1.2. In april 2010 is, tijdens afwezigheid van betrokkene, door de afdeling Rekening en Administratie naar aanleiding van een valse factuur een groot bedrag overgemaakt aan een niet-rechthebbende. Naar aanleiding hiervan is op die afdeling een verscherpte werkprocedure afgesproken ten aanzien van verzoeken tot wijziging van rekeningnummers. In juli 2010 is er door de afdeling Rekening en Administratie opnieuw naar aanleiding van een valse factuur een groot bedrag overgemaakt aan een niet-rechthebbende.

1.3. Op 19 januari 2011 heeft het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam op verzoek van appellant een rapport uitgebracht. In dit rapport is geconcludeerd dat betrokkene in juli 2010 ernstig nalatig is geweest bij de controle van gewijzigde gegevens van een crediteur met als gevolg dat er € 335.729,62 onverschuldigd is betaald.

1.4. Bij besluit van 16 mei 2011 heeft appellant betrokkene per direct overgeplaatst naar de afdeling personeel en organisatie (P&O).

1.5. Bij besluit van 22 september 2011 heeft appellant betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 12.12, aanhef en onder a, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam, met ingang van 1 februari 2012 ontslag verleend wegens ongeschiktheid en / of onbekwaamheid voor de verdere vervulling van haar betrekking, anders dan door ziekte of gebreken.

1.6.1. Bij besluit van 20 februari 2012 (bestreden besluit 1) heeft appellant de bezwaren, voor zover thans nog van belang, ongegrond verklaard met uitzondering van het bezwaar tegen de ontslagdatum, welke is gewijzigd in 1 oktober 2012.

1.6.2. Bij besluit van 4 april 2012 (bestreden besluit 2) heeft appellant bestreden besluit 1 ingetrokken voor zover het ziet op de ontslagdatum, en de ontslagdatum gewijzigd in 1 juni 2012.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, het bezwaar tegen de besluiten van 16 mei 2011 en 22 september 2011 gegrond verklaard en deze besluiten herroepen. De rechtbank is van oordeel dat voldoende vaststaat dat betrokkene in juli 2010 haar controlerende taak niet op juiste wijze heeft uitgevoerd. Door te handelen zoals ze heeft gedaan (contact opnemen met het telefoonnummer op de gefalsificeerde nota, mailen naar een telefonisch doorgegeven mailadres, niet alert reageren op een gewijzigd netnummer en het bijschrijven van een bankrekeningnummer op een onduidelijke kopie bankafschrift) heeft betrokkene het aanmerkelijke risico genomen dat de valse factuur onopgemerkt zou passeren. Haar handelwijze rechtvaardigt echter nog niet zonder meer een ongeschiktheidsontslag. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8059) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie anders dan op grond van ziekte of gebreken, in het algemeen niet mogelijk als de ambtenaar niet op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat het bevoegd gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. Van dat laatste is in het geval van betrokkene geen sprake. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd ten aanzien van het ontslag. Ook was er ten tijde van het overplaatsingsbesluit van 16 mei 2011 geen reden voor een overplaatsing naar de afdeling P&O, zodat de bestreden besluiten ook ten aanzien van de overplaatsing niet in stand kunnen blijven.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat aan betrokkene geen verbeterkans hoefde te worden geboden, aangezien uit haar reactie bij confrontatie met haar fouten blijkt dat zij niet inziet dat zij fouten heeft gemaakt. Daarom kan ook niet worden verwacht dat zij desondanks haar gedrag aanpast. Verbetering is alleen te verwachten als de persoon in kwestie aangeeft daartoe een poging te zullen doen.

4.1.

De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd. Er zijn concrete feiten op grond waarvan twijfel is gerechtvaardigd of betrokkene geschikt is voor de vervulling van haar functie. Er is echter geen sprake van de uitzonderlijke situatie dat betrokkene dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat appellant zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is.

4.2.

Het enkele feit dat betrokkene zich herhaaldelijk op het standpunt heeft gesteld dat haar geen blaam treft omdat zij conform de haar bekende instructies heeft gehandeld, kan die conclusie niet rechtvaardigen. Betrokkene heeft dit standpunt ingenomen ter verdediging van haar standpunt in de gegeven situatie. Zij heeft echter in het zienswijzegesprek tevens aangegeven dat zij een fout heeft gemaakt en dat dit haar nooit weer zal overkomen. Nu betrokkene ten onrechte een reële kans op verbetering van haar functioneren is onthouden, was appellant niet bevoegd om haar vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie te ontslaan.

4.3.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 487,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    bepaalt dat van het college een griffierecht van € 466,- wordt geheven;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 487,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J.T.P. Pot

RB