Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
13-869 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand. Juiste ingangsdatum. Terecht maatregel opgelegd. Door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden. Van de gedraging van appellante kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Met de rechtbank kan de Raad het standpunt van appellante niet onderschrijven dat het dagelijks bestuur met het opleggen van de maatregel en handhaving ervan na bezwaar in strijd met het verbod op détournemant de pouvoir heeft gehandeld. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opgelegde maatregel berust op oneigenlijke, buiten de WWB gelegen, motieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/869 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2013, 12/4150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep aangetekend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pot. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.F.H. Molema.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is vanaf 1 juni 2002 werkzaam geweest in dienst van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, laatstelijk als [naam functie]. Bij besluit van 7 juli 2011 heeft het dagelijks bestuur appellante disciplinair ontslag verleend. Bij besluit van

2 november 2011 heeft het dagelijks bestuur, onder verwijzing naar de met appellante gesloten vaststellingsovereenkomst van dezelfde datum (overeenkomst) en artikel 8:1 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, appellante met ingang van 17 juli 2011 eervol ontslag verleend en het ontslagbesluit van 7 juli 2011 ingetrokken. Partijen hebben zich in de overeenkomst tot geheimhouding ten aanzien van de inhoud daarvan verplicht.

1.2.

Op 10 oktober 2011 heeft appellante zich met een e-mailbericht tot het dagelijks bestuur gewend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op het aanvraagformulier dat appellante op 18 oktober 2011 heeft ondertekend, heeft zij om bijstand met ingang van 15 oktober 2011 verzocht. Blijkens de rapportage aanvraag WWB van

7 november 2011 heeft het dagelijks bestuur een eerdere bijstandsaanvraag van appellante van 17 juli 2011 afgewezen, omdat zij bij haar ontslag een nabetaling had meegekregen van drie maanden salaris. Die periode was inmiddels verstreken.

1.3.

Bij besluit van 24 november 2011 heeft het dagelijks bestuur aan appellante met ingang van 17 oktober 2011 bijstand toegekend onder de overweging dat zij de periode van

17 juli 2011 tot 17 oktober 2011 heeft kunnen overbruggen met de drie maandsalarissen. Bij dat besluit heeft het dagelijks bestuur tevens de bijstand met ingang van 17 oktober 2011 gedurende een maand met 100% verlaagd op de grond dat appellante door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Bij beslissing op bezwaar van

10 april 2012 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de ingangsdatum van de bijstand en van de verlaging ervan bepaald op 15 oktober 2011 en de maatregel van, kort gezegd, 100% gedurende een maand gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ten aanzien van de ingangsdatum van de bijstand wijst appellante erop dat zij reeds op 10 oktober 2011 de aanvraag om bijstand heeft gedaan. Voorts bestrijdt appellante de opgelegde maatregel. In dat verband heeft zij, kort samengevat, aangevoerd dat het dagelijks bestuur als werkgever in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan de verstoorde arbeidsverhouding en werksfeer en dat het dagelijks bestuur zich als uitkeringsinstantie niet objectief kan opstellen. Volgens appellante maakt het dagelijks bestuur zich met de opgelegde maatregel schuldig aan détournement de pouvoir.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het dagelijks bestuur heeft bij het bestreden besluit de ingangsdatum van de bijstand van appellante alsnog bepaald op 15 oktober 2011. Daarmee is geheel overeenkomstig het verzoek van appellante, zoals zij heeft vermeld op het aanvraagformulier, de ingangsdatum van de bijstand vastgesteld. In wat appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de bijstand op een eerdere datum had moeten laten ingaan. De omstandigheid dat appellante door middel van een e-mailbericht van 10 oktober 2011 kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor bijstand, is daartoe niet toereikend. Dat appellante, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, gedwongen door de omstandigheid zich heeft neergelegd bij de weigering van de bijstand in juli 2011, is evenmin een reden om de ingangsdatum voor onjuist te houden. Daarom kan in het midden blijven of de betaling die appellante heeft ontvangen als afkoopsom ter hoogte van drie maanden salaris kan worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid, die betrekking heeft op de eerste drie maanden na het ontslag.

4.2.1.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college, in dit geval het dagelijks bestuur, tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, de bijstand wordt verlaagd overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hiervoor bedoelde verordening is in dit geval de Maatregelenverordening 2004 ISD Bollenstreek (Maatregelenverordening).

4.2.2.

Artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening bepaalt dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.

4.2.3.

Artikel 9, vierde lid, aanhef en onder b, van de Maatregelenverordening bepaalt dat de bijstandsnorm gedurende een maand met 100% wordt verlaagd indien sprake is van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

4.3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op eigen verzoek is ontslagen en dat zij om die reden haar arbeid door eigen toedoen niet heeft behouden. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat appellante geen enkel verwijt treft, gelet op het uitzonderingskarakter van de laatste volzin van artikel 18, tweede lid, van de WWB, op appellante rust. Het dagelijks bestuur heeft in het bestreden besluit in dit verband terecht gewezen op de uitspraak van de Raad van 13 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0461.

4.3.2.

Uit wat appellante heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat haar geen enkel verwijt valt te maken. Appellante heeft weliswaar inzichtelijk gemaakt dat in de loop van de jaren meerdere problemen in haar arbeidsrelatie met het dagelijks bestuur zijn ontstaan, maar niet dat de problemen medio 2011 zodanig waren geëscaleerd dat voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante verklaard dat zij op eigen verzoek eervol is ontslagen, dat zij de werkgever expliciet heeft gevraagd om een praktische oplossing en dat zij het strafontslag niet tot de hoogste rechter wilde aanvechten. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij voorafgaande aan het ontslag een advocaat heeft geraadpleegd die haar goede kansen, maar een lange procedure inzake het strafontslag heeft voorgespiegeld met daarbij een kostenplaatje dat zij niet kon opbrengen. Omdat appellante uiteindelijk moe was van het voeren van deze strijd, heeft zij ingestemd met het voorstel van eervol ontslag op eigen verzoek. Ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat zij met ontslag heeft ingestemd omdat zij “er doorheen zat” en dat ze toen heel snel moest beslissen. Appellante heeft zich evenwel destijds niet bij de werkgever ziek gemeld. Zij heeft ook niet aangevoerd dat zij als gevolg van de problemen in de arbeidsrelatie gezondheidsklachten heeft gekregen waarvoor zij zich onder medische behandeling heeft gesteld. Appellante heeft bovendien in de ontslagzaak advies ingewonnen bij een advocaat en zich laten bijstaan, zij het niet tot haar tevredenheid, door haar vakbond. Daarom heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij, zoals gesteld, geen keuze had, maar door omstandigheden gedwongen was om ontslag te nemen.

4.4.

Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat van de gedraging van appellante niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daaruit vloeit voort dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante overeenkomstig de Maatregelenverordening te verlagen. Op grond van artikel 9, vierde lid, aanhef en onder b, van de Maatregelenverordening wordt, kort gezegd, de bijstand in een situatie als hier aan de orde in beginsel gedurende een maand met 100% verlaagd. In wat appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante die gedraging verweten kan worden en de persoonlijke omstandigheden waarin zij verkeert aanleiding geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening de vastgestelde verlaging te matigen. Daarbij is van belang dat mede als gevolg van de door partijen in de overeenkomst vastgelegde geheimhoudingsplicht niet kan worden beoordeeld of de gedraging appellante slechts in verminderde mate kan worden verweten.

4.5.

De omstandigheid dat het dagelijks bestuur niet alleen het bestuursorgaan is dat dient te beslissen op de aanvraag van appellante om bijstand, maar tevens haar voormalige werkgever is, is inherent aan deze situatie. Het dagelijks bestuur heeft met deze bijzondere omstandigheid rekening gehouden in die zin dat de aanvraag van appellante in behandeling is genomen door de gemeente Katwijk, die tot de conclusie is gekomen dat de gedraging van appellante aanleiding geeft tot een maatregel van 100% gedurende een maand. Met de rechtbank kan de Raad het standpunt van appellante niet onderschrijven dat het dagelijks bestuur met het opleggen van de maatregel en handhaving ervan na bezwaar in strijd met het verbod op détournemant de pouvoir heeft gehandeld. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opgelegde maatregel berust op oneigenlijke, buiten de WWB gelegen, motieven. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur is afgeweken van het uitgebrachte advies door de commissie bezwaarschriften ISD Bollenstreek, leidt evenmin tot die conclusie. In het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur onder verwijzing naar de bewijslastverdeling en de tussen partijen overeengekomen geheimhouding toereikend gemotiveerd waarom het het advies niet heeft gevolgd. Daarbij is van belang dat appellante niet heeft gesteld dat het dagelijks bestuur in vergelijkbare omstandigheden geen of een lagere maatregel toepast.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent tevens dat het verzoek van appellante om het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en te lijden schade moet worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD