Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
12-4832 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting WAO-uitkering terecht ongewijzigd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Overgelegde informatie van medisch adviseur ontoereikend om een toename van de rugklachten van appellant aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4832 WAO

Datum uitspraak: 28 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

18 juli 2012, 11/580 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Aan appellant is wegens lage rugklachten een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, per 1 januari 1993 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Deze WAO-uitkering is in het kader van meerdere herbeoordelingen nadien ongewijzigd voortgezet en is over de jaren 1994 en 1995 in verband met inkomsten uit arbeid als zelfstandige niet tot uitbetaling gekomen.

1.3. Wegens hartklachten ontvangt appellant sinds 8 juni 2002 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is wegens inkomsten als zelfstandige gedurende verschillende perioden gedeeltelijk niet tot uitbetaling gekomen.

1.4. Op 25 november 2009 heeft appellant een formulier “melden van verslechterde gezondheid binnen vijf jaar na afwijzing of stopzetting van de WAO- of WIA-uitkering” ingevuld. Daarin heeft hij vermeld door toegenomen rugklachten sinds 13 november 2009 minder te kunnen werken als zelfstandige. Bij besluit van 1 april 2010 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant na een wachttijd van vier weken te herzien, omdat het moment waarop de toeneming van de arbeidsongeschiktheid begint, moet zijn gelegen binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de uitkering, in dit geval 1 januari 1993. Bij beslissing op bezwaar van 24 september 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 april 2010 ongegrond verklaard. De

WAO-uitkering kan mogelijk wel na een wachttijd van 104 weken worden herzien.

Bij uitspraak van 4 april 2011 (10/1099 en 10/1179) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 september 2010 ongegrond verklaard. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat het Uwv inmiddels heeft besloten dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO na een wachttijd van 104 weken niet is gewijzigd en dat hij een bezwaarprocedure tegen dat besluit aanhangig heeft gemaakt.

1.5. In de thans bij de Raad aanhangige procedure gaat het om het besluit van het Uwv van

14 oktober 2010, waarbij de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd is voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het Uwv heeft daarbij onderkend dat de stellingen van appellant in de onder 1.4 bedoelde procedure ook (kunnen) inhouden dat per 2004 sprake is van toegenomen rugklachten. In de aanhef van het besluit staat vermeld dat het ten onrechte niet is aangemaakt na het medisch onderzoek van 19 maart 2004 en het arbeidskundig onderzoek van 6 april 2004.

1.6. Bij besluit van 25 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 oktober 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank daartoe verwezen naar het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 24 mei 2011. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de daarin neergelegde bevindingen en conclusie onjuist zouden zijn. Het door appellant overgelegde rapport van medisch adviseur

D.J. Schakel van 6 maart 2012 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, aangezien de stelling van Schakel dat appellant vanaf minstens 2007 arbeidsongeschikt is vanwege toegenomen rugklachten niet is onderbouwd met objectief medische gegevens. De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust.

3.

In hoger beroep herhaalt appellant zijn stelling dat zijn toegenomen rugklachten zijn miskend. Tevens stelt hij dat de door hem op 5 juli 2012 overgelegde stukken voor de zitting van 11 juli 2012 door de rechtbank ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling van het beroep.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geconcludeerd dat de WAO-uitkering van appellant bij het bestreden besluit terecht ongewijzigd is voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 24 mei 2011 gemotiveerd te kennen gegeven dat de rugklachten van appellant op 19 maart 2004 zijn onderzocht door een verzekeringsarts en dat navraag bij de huisarts van appellant geen nieuwe informatie heeft opgeleverd. Appellant onderging in de jaren 2003/2004 geen specialistische behandeling voor zijn rugklachten.

4.3.

De onderbouwing van de door appellant overgelegde informatie van medisch adviseur Schakel is ontoereikend om een toename van de rugklachten van appellant vanaf 2007 aan te nemen, laat staan vanaf 2004.

4.4.

Voorts heeft appellant een drietal brieven van neurologen, verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, in het geding gebracht, zij het dat de rechtbank heeft geweigerd van deze stukken kennis te nemen, omdat ze te kort voor de zitting zijn overgelegd. De Raad zal deze stukken, die tot het rechtbankdossier behoren, wel bij zijn beoordeling betrekken. Allereerst wordt vastgesteld dat uit de brief van prof. dr. J.B.M. Kuks, neuroloog, van

11 maart 2010 blijkt dat appellant hem eerst op 9 februari 2010 heeft geconsulteerd wegens sinds twee jaar uitstralende lage-rugpijn. Op 18 juni 2010 concludeert dr. T. van Laar, neuroloog: “forse rugpijnklachten, waarbij MRI-onderzoek een afwijking ter plaatse van de conus toont (mogelijk post-polio). Revisie na aanvullend onderzoek.” De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de toename van zijn rugklachten op basis van deze informatie kan worden teruggevoerd naar 2004.

4.5.

Gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) I.J. Penning

JvC