Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
29-05-2014
Zaaknummer
13-4546 WMO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Toekenning WMO-voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging. Appellante is volledig rolstoelafhankelijk. Het college heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd of de omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, moeten leiden tot het afwijken van de normtijden en het toekennen van extra tijd voor het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4546 WMO-T

Datum uitspraak: 28 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 juli 2013, 13/262 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] 1930, is alleenstaand en woont zelfstandig. Zij ondervindt beperkingen ten gevolge van onder meer CIAP (chronische ontsteking van de zenuwen) en zeer slechte botten. Appellante is volledig rolstoelafhankelijk.

1.2.

In verband met haar beperkingen heeft appellante tot 1 december 2012 op grond van het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging ontvangen voor zeven uur per week.

1.3.

Bij aanvraag van 17 juli 2012 heeft appellante op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verzocht om verlenging van de voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging.

1.4.

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het college aan appellante een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging ingevolge de Wmo toegekend voor vier uur en drie kwartier per week. Het college heeft 90 minuten toegekend voor het schoonhouden van het interieur, 10 minuten voor het zorgen voor een schoon bed, 60 minuten voor de wasverzorging, 30 minuten voor het inruimen van de boodschappen en 30 minuten voor het afwassen. Daarnaast is voor de lichte huishoudelijke taken in verband met een beperkte handfunctie een toeslag toegekend van 60 minuten.

1.5.

Bij besluit van 4 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het door het college gehanteerde, van het Centrum indicatiestelling zorg overgenomen beleid zorgvuldig moet zijn. Voorts is aan appellante ten onrechte geen toeslag toegekend in verband met de omvang van haar woning en het feit dat zij volledig rolstoelafhankelijk is. De door het college voorgestelde droogloopmat in de hal gaat de extra vervuiling niet tegen en is door het college in de praktijk niet onderzocht.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college hanteert voor het vaststellen van de indicatie voor huishoudelijke verzorging de Beleidsregels Voorzieningen Maatschappelijke ondersteuning Rotterdam (Beleidsregels). Hierin zijn normtijden opgenomen die zijn ontleend aan de normtijden die in de praktijk binnen de thuiszorgorganisaties zijn ontwikkeld toen de AWBZ nog op huishoudelijke verzorging van toepassing was. Anders dan onder de AWBZ het geval was, hanteert het college - zoals toegelicht in het bestreden besluit - niet (langer) de grootte van de woning als uitgangspunt, maar het aantal bewoners. Reeds hierom kan appellante niet worden gevolgd in haar betoog dat het college de onder de AWBZ geldende normtijden zonder enige onderbouwing volledig zou hebben overgenomen.

4.2.

De Raad is van oordeel dat de hantering van de in de Beleidsregels neergelegde normtijden maakt dat een objectieve maatstaf wordt aangelegd. Daar komt bij dat de Beleidsregels ruimte bieden om onder bepaalde bijzondere omstandigheden af te wijken van de normtijden en extra tijd toe te kennen voor het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken. Bijzondere omstandigheden kunnen gelegen zijn in een specifieke inrichting van de woning of een hoge vervuilingsgraad.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van omstandigheden in vorenbedoelde zin, acht de Raad het volgende van belang. Appellante is volledig rolstoelafhankelijk. Hierdoor was zij genoodzaakt om te verhuizen naar een grotere woning. Appellante maakt 24 uur per dag, zowel binnen- als buitenshuis, gebruik van dezelfde elektrische rolstoel, voorzien van brede banden met een grof profiel. Appellante is in het bezit van een droogloopmat om extra vervuiling als gevolg van haar rolstoelgebruik tegen te gaan. Deze droogloopmat functioneert volgens appellante echter onvoldoende, hetgeen het college niet heeft betwist.

4.4.

Naar het oordeel van de Raad heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd of deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, moeten leiden tot het afwijken van de normtijden en het toekennen van extra tijd voor het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken. Dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.5.

Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding het college opdracht te geven het in rechtsoverweging 4.4 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.P. Ketting

CVG