Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
29-05-2014
Zaaknummer
12-4302 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2012:778, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëndiging ZW-uitkering. Appellante is geschikt voor de eerder geduide functie van inpakker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4302 ZW

Datum uitspraak: 28 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

22 juni 2012, 12/140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W.J. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2014. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante is op 18 april 2006 met nek-, schouder- en hoofdklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden. Tevens was er sprake van psychische klachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat zij per 2 augustus 2008 geen recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat zij met passend werk in staat werd geacht 65% van het loon te verdienen dat zij verdiende toen zij ziek werd. Daarbij heeft Uwv een aantal passende functies voor appellante geselecteerd, waaronder de functie van inpakker.

2.

Appellante heeft zich op 10 december 2008 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten. In verband daarmee is haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In de hierop volgende periode heeft appellante een auto-ongeval gehad en is haar tweemaal een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) toegekend. Op 27 september 2010, enkele dagen voor het einde van de tweede WAZO-uitkering heeft appellante (wederom) gemeld dat zij toegenomen klachten had. Nadat appellante op 25 oktober 2011 was onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante geschikt is voor de eerder geduide functie van inpakker. Bij besluit van

25 oktober 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante met ingang van 31 oktober 2011 beëindigd onder verwijzing naar de geschiktheid voor die functie.

3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 oktober 2011. In verband daarmee is appellante gehoord en heeft een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts appellante aanvullend medisch onderzocht. Bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd dat appellante met ingang van 31 oktober 2011 in staat was om passende arbeid te verrichten en dat zij met ingang van die datum geen recht had op een ZW-uitkering.

4.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat er geen aanleiding was te twijfelen aan medische bevindingen en conclusies en dat sprake was van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.

5.

In hoger beroep heeft appellante - samengevat - gesteld dat de belastbaarheid van appellante te hoog door het Uwv is ingeschat. Daarvoor heeft appellante onder meer verwezen naar de hulp die zij in de huishouding ontvangt en de therapie waarvoor zij is aangemeld.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor wettelijk kader en de van toepassing zijnde maatstaf wordt verwezen naar onderdeel 2.4.1 van de aangevallen uitspraak.

6.2.

De gronden in hoger beroep beperken zich tot de medische beoordeling van de mogelijkheden van appellante op 31 oktober 2011, de datum in geding. Die gronden vormen in wezen een herhaling van hetgeen appellante ook reeds in beroep heeft gesteld. Aangezien het oordeel van de rechtbank ten aanzien van die gronden en hetgeen de rechtbank in dat verband heeft overwogen worden onderschreven, word volstaan te verwijzen naar onderdeel 2.4.3 van de aangevallen uitspraak.

6.3.

Appellante heeft in januari 2013 een stuk ingebracht dat betrekking heeft op een sinds

27 september 2011 ingezette behandeling bij een centrum voor geestelijke gezondheid. Zoals het Uwv terecht heeft gesteld, bevat het betreffende stuk geen nieuwe medisch geobjectiveerde gegevens op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat de belastbaarheid op de datum in geding onjuist is ingeschat.

6.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

7.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

JvC