Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1827

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
29-05-2014
Zaaknummer
11-1203 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. De door de Raad benoemde deskundige word gevolgd. Op grond van de bevindingen van deze deskundige en de overige beschikbare gegevens wordt geoordeeld dat appellante aansluitend aan haar 17e verjaardag gedurende 52 weken en ook op 13 maart 2010 niet tot het verrichten van arbeid in staat was, en dat evenmin aannemelijk is dat zij binnen een jaar volledig zou herstellen. Dat betekent dat zij als een jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong moet worden aangemerkt. Slechts wanneer de jonggehandicapte heeft voldaan aan alle voorwaarden genoemd hoofdstuk 2 van de Wet Wajong is er recht op arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning. Nu niet bekend is of appellante aan alle voorwaarden voldoet, is er geen ruimte voor een finale afdoening van het geschil. Daarom zal worden bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1203 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

6 januari 2011, 10/667 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Koolhoven hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Koolhoven. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. De Raad heeft psychiater J. de Jonge als deskundige benoemd. Deze heeft op 26 september 2013 rapport uitgebracht en bij brief van

25 november 2013 nog een tweetal stukken toegevoegd aan zijn rapport.

Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden. Op verzoek van de Raad heeft de deskundige bij nader rapport van 28 december 2013 op de zienswijze van het Uwv gereageerd. Het Uwv heeft nogmaals een zienswijze naar voren gebracht.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1992, heeft met een op 19 januari 2010 door het Uwv ontvangen formulier verzocht om als jonggehandicapte in aanmerking te worden gebracht voor ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).

1.2. Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 1 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat appellante op haar 17e verjaardag weliswaar verminderd belastbaar moet worden geacht en dat deze periode onafgebroken 52 weken heeft geduurd, maar dat zij, omdat zij met ingang van 13 maart 2010 minder dan 25% arbeidsongeschikt was, geen recht heeft op een uitkering.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit onderschreven.

3.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het Uwv zowel haar psychische als lichamelijke beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar een in beroep ingebracht rapport van verzekeringsgeneeskundige A.W.A. Elemans van 9 november 2010.

4.

De door de Raad benoemde deskundige De Jonge heeft appellante op 25 juli 2013 onderzocht en heeft bij appellante de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom gesteld met vaso-vagale aanvallen met korte periodes van bewusteloos raken, chronische aanpassingstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming, lichte cognitieve stoornissen in aandacht, geheugen en concentratie en een dreigende ontwikkeling richting afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Hij heeft als zijn oordeel gegeven dat appellante op

13 maart 2010 als gevolg daarvan niet tot werken in staat was en vanaf die datum drie maanden totale rust moest nemen. De deskundige heeft er voorts op gewezen dat bijna anderhalf jaar na april 2010 met een eerste werktraject vanuit de revalidatie is gestart. Appellante was op 13 maart 2010 en ook ten tijde van zijn onderzoek beperkt bij het herinneren, in haar handelingstempo en aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of pieken en op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is. De deskundige heeft appellante bovendien beperkt geacht in het omgaan met conflicten, in het uiten van eigen gevoelens en ten aanzien van leidinggevende aspecten. De beperkingen ten aanzien van het dynamische handelen en statische houdingen zijn volgens de deskundige juist ingeschat, waarbij voor hem de vraag is of niet ook een lichte beperking aangenomen moet worden voor het werken met toetsenbord en muis en het frequent reiken en buigen. Appellante is volgens de deskundige ook beperkt ten aanzien van werk ’s avonds of ’s nachts. Voorts geldt een urenbeperking waarbij appellante beperkt is tot vier uur werk per dag en twaalf uur per week.

5.

Het Uwv heeft met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 31 oktober 2013 het rapport van de deskundige van commentaar voorzien en vervolgens aanleiding gezien om de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) slechts gedeeltelijk aan te passen aan het oordeel van de deskundige. Aan de hand van de FML van 13 oktober 2013 heeft het Uwv vervolgens geconcludeerd dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in stand kan blijven. Het Uwv heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de aanvraag van appellante om de arbeids- en inkomensondersteuning op grond van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong moet worden afgewezen, omdat appellante met ingang van 13 maart 2010 in staat was om meer dan 75% van het voor haar geldende minimumloon te verdienen.

6.

In zijn rapporten van 28 december 2013 en 11 februari 2014 is de deskundige, in reactie op het zojuist vermelde standpunt van het Uwv, gebleven bij de conclusie van zijn rapport van

26 september 2013. Daarbij heeft hij nogmaals beargumenteerd waarom naar zijn oordeel die conclusie juist is. Ook het Uwv is gelet op de reacties van 11 december 2013 en

19 februari 2014 bij zijn standpunt gebleven.

7.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1.

Appellante heeft haar aanvraag om een arbeids- en inkomensvoorziening op grond van de Wet Wajong ingediend op 15 januari 2010. Op de aanvraag van appellante zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong, zoals deze wet is gewijzigd bij de Wet van

3 december 2009, Stb. 2009, 580, van toepassing. Deze wijziging is in werking getreden op

1 januari 2010. Het Uwv heeft de aanvraag ten onrechte beoordeeld aan de hand van bepalingen in de Wet Wajong zoals deze gold voor 1 januari 2010.

7.2.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit wordt het volgende overwogen.

7.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Ook overigens geven de bezwaren van het Uwv tegen het rapport daartoe geen aanleiding.

7.4.

Uitgaande van de onder 4 door de deskundige De Jonge aangegeven beperkingen wordt het onder 5 weergegeven standpunt van het Uwv niet gevolgd. Op grond van de bevindingen van deze deskundige en de overige beschikbare gegevens wordt geoordeeld dat appellante aansluitend aan haar 17e verjaardag gedurende 52 weken en ook op 13 maart 2010 niet tot het verrichten van arbeid in staat was, en dat evenmin aannemelijk is dat zij binnen een jaar volledig zou herstellen. Dat betekent dat zij als een jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong moet worden aangemerkt.

7.5.

Uit hetgeen onder 7.1 tot en met 7.4 is overwogen volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond worden verklaard en zal dat besluit worden vernietigd.

7.6.

Slechts wanneer de jonggehandicapte heeft voldaan aan alle voorwaarden genoemd hoofdstuk 2 van de Wet Wajong is er recht op arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning. Nu niet bekend is of appellante aan alle voorwaarden voldoet, is er geen ruimte voor een finale afdoening van het geschil. Daarom zal worden bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

8.

Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt nu niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

9.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 487,- in beroep en € 974,- in hoger beroep. De kosten ter hoogte van € 1.697,24 van het door verzekeringsgeneeskundige A.W.A. Elemans uitgebrachte rapport van 9 november 2010 komen voor toewijzing in aanmerking. In totaal komt dus een bedrag van € 3.645,24 voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 juli 2010;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.645,24;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

IvR