Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
12-3741 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WIJ-inkomensvoorziening en bijstand. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Het aan appellante om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op de inkomensvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3741 WIJ

Datum uitspraak: 27 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

23 mei 2012, 12/1065 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M. van der Zwan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2014. Voor appellante is verschenen mr. R.S. van der Beek, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van der Zwan. Het college heeft zich, zoals tevoren was bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1987, ontving sinds 1 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf 1 juli 2010 is de bijstand omgezet naar een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Bij besluiten van

5 november 2010 heeft het college de inkomensvoorziening per 1 juli 2010 ingetrokken, de bijstand over de periode van 9 februari 2010 tot en met 30 juni 2010 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand, onderscheidenlijk de teveel betaalde inkomensvoorziening van appellante teruggevorderd en van [B.] ([B.]) medeteruggevorderd. Deze besluiten zijn gebaseerd op het standpunt van het college dat appellante niet heeft gemeld dat zij op het door haar opgegeven adres, [adres 1] in ’s-Gravenhage, een gezamenlijke huishouding voert met [B.], met wie zij een kind heeft dat is geboren op 22 januari 2010. In bezwaar zijn deze besluiten gehandhaafd. Appellante heeft daartegen geen beroep ingesteld.

1.2. [B.] staat sinds 10 juni 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres van zijn ouders, [adres 2] in [woonplaats]. Appellante heeft zich op 14 juni 2011 opnieuw gemeld voor een werkleeraanbod en een inkomensvoorziening op grond van de WIJ. Hangende haar aanvraag heeft appellante een voorschot van € 900,- van het college ontvangen. Naar aanleiding van haar aanvraag heeft het college een onderzoek naar haar feitelijke woonsituatie ingesteld.

1.3. In de maanden juli en augustus 2011 heeft het college waarnemingen gedaan in de nabijheid van de woning van appellante. Daarbij is vastgesteld dat er in de periode van 18 juli 2011 tot en met 6 augustus 2011, de periode van de bouwvakvakantie, geen tekenen van aanwezigheid waren, met uitzondering van de nacht voorafgaand aan 22 juli 2011, de dag dat appellante een afspraak had op het Werkplein. In de periode van 8 augustus 2011 tot en met 17 augustus 2011 is de Opel Astra, die in eigendom toebehoorde aan appellante - zij heeft evenwel geen rijbewijs - en die in gebruik was bij [B.], vrijwel dagelijks in de vroege ochtend bij de woning van appellante aangetroffen. Ook op de vijf dagen dat 's avonds is waargenomen, is deze auto bij de woning van appellante aangetroffen. Tot slot blijkt uit het verslag dat [B.] vrijwel dagelijks in de vroege ochtend de woning van appellante verliet en werd opgehaald om naar zijn werk bij een bouwbedrijf te gaan.

1.4. Uit informatie van het waterleidingbedrijf blijkt dat de wateraansluiting in de woning van appellante op naam staat van [B.]. Bij het op 17 augustus 2011 verrichte huisbezoek zijn diverse bezittingen van [B.] in de woning van appellante aangetroffen. Dit betreft medicijnen, poststukken, koelboxen voor de camping, kleding en een headset voor zijn telefoon. Op 18 augustus 2011 is appellante met de bevindingen van het onderzoek geconfronteerd en heeft zij een verklaring afgelegd.

1.5. Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft het college geweigerd om aan appellante een inkomensvoorziening toe te kennen en bij besluit van dezelfde datum heeft het college het aan appellante toegekende voorschot van € 900,- teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante nog steeds een gezamenlijke huishouding voert met [B.]. Vanwege de inkomsten van [B.] bestaat geen recht op een aanvullende WIJ-uitkering.

1.6. Bij besluit van 27 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 24 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat [B.] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van zijn ouders.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft aan het bestreden besluit de bepalingen van de WIJ ten grondslag gelegd. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat niet de WIJ maar de WWB van toepassing is omdat het beroepschrift is ingediend na 1 januari 2012, de datum waarop de WIJ is komen te vervallen. Dit volgt volgens de rechtbank uit artikel 78t, vijfde lid, van de WWB. Deze overweging van de rechtbank kan niet worden gevolgd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:999, is niet goed denkbaar dat de wetgever heeft beoogd de rechterlijke zogeheten ex-tunc-toetsing van een met toepassing van de WIJ genomen besluit op bezwaar te doen plaatsvinden met toepassing van de WWB. Het college heeft daarom terecht het bestreden besluit gebaseerd op de bepalingen van de WIJ. Overigens wijken de hier van belang zijnde bepalingen van de WIJ inhoudelijk niet af van die in de WWB.

4.2. De ten aanzien van het recht op de inkomensvoorziening te beoordelen periode strekt zich uit van 4 juli 2011, de datum waarop appellante een werkkleeraanbod heeft aangevraagd, tot en met 24 augustus 2011, de datum van het naar aanleiding van de aanvraag genomen besluit omtrent de inkomensvoorziening.

4.3. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WIJ, voor zover hier van belang, wordt voor de toepassing van deze wet als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.4. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WIJ wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Nu uit de relatie van appellante en [B.] een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [B.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5. Nu het recht op de inkomensvoorziening eerder is ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding, ligt het in eerste instantie op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op de inkomensvoorziening. Met het enkele feit dat [B.] zich heeft laten inschrijven op een ander adres heeft appellante dat niet aannemelijk gemaakt. De inschrijving in de GBA hoeft immers niet de feitelijke woonsituatie weer te geven. De omstandigheid dat, zoals appellante op 18 augustus 2011 heeft verklaard, nu minder kleding van [B.] in haar woning is aangetroffen, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is het volgende van belang.

4.6. Appellante heeft tijdens het gesprek op 18 augustus 2011 verklaard dat er geen verandering is gekomen in de woonsituatie. De onderzoeksbevindingen duiden daar ook op. De overwegingen van de rechtbank kunnen in zoverre worden onderschreven. Appellante heeft zich beperkt tot het ontkennen van de bevindingen van het onderzoek, dan wel het geven van een verklaring voor de geconstateerde feiten. Zij heeft echter zelf geen enkele onderbouwing gegeven voor haar stelling dat [B.] niet langer zijn hoofdverblijf bij haar heeft. Voorts blijkt uit de verschillende rapportages dat zij in de loop van het onderzoek wisselende verklaringen heeft afgelegd, wat haar stelling des te minder geloofwaardig maakt. Zo heeft zij op 22 juli 2011 verklaard dat [B.] van maandag tot en met vrijdag op hun dochter past als zij van 18.00 uur tot 20.00 uur aan het werk is en dat hij dan om 20.30 uur weggaat. Buiten de oppassituatie zien zij elkaar niet en zij doen niets samen. Tijdens het confrontatiegesprek op 18 augustus 2011 heeft zij evenwel verklaard dat [B.] ook wel eens langer blijft en dan tussen 22.00 uur en 23.00 uur weg gaat, dat hij haar soms naar het werk brengt en dat ze de grote boodschappen samen doen. Op de vraag of zij zelf van mening is dat [B.] zijn feitelijke hoofdverblijf heeft in haar woning, heeft zij geantwoord:

“Ik vind zelf niet dat hij zijn feitelijke hoofdverblijf heeft bij mij. Hij wil gewoon niet weg bij mij, al smeek ik het op mijn knieën, hij gaat gewoon niet weg. Wat ik wil doet er niet toe. Hij blijft gewoon bij mij. Daarom is hij zo vaak bij mij.”

4.7. Ter zitting van de Raad heeft appellante aangevoerd dat het college extra onderzoek had moeten doen naar haar waterverbruik, omdat dit het standpunt van het college dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf had kunnen ontkrachten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals in 4.4 is overwogen, is het aan appellante om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op de inkomensvoorziening. Daarin is zij, gelet op wat in 4.5 en 4.6 is overwogen, niet geslaagd.

4.8. Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd, met verbetering van gronden vanwege hetgeen is overwogen onder 4.1.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

hd