Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
12-4126 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Inkomsten uit arbeid. Verrekening met WW-uitkering. Niet overleggen van gevraagde gegevens. Afwijzing bijstandsaanvraag omdat appellante zelfstandige is in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

Wetsverwijzingen
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4126 WWB, 12/4127 WWB, 12/4128 WWB

Datum uitspraak: 27 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2012, 11/1850, 11/1886 en 11/2207 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.V.H. Jonker, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend in de zaken die zijn geregistreerd onder de nummers 12/4126 WWB en 12/4128 WWB.

Appellante heeft, desgevraagd, nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jonker. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 juni 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij ontving tevens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). In verband daarmee werd op haar bijstand maandelijks een vast bedrag in mindering gebracht. Daarnaast werden maandelijks vaste bedragen op de bijstand in mindering gebracht in verband met de aanvullende alleenstaande ouderkorting die appellante ontving. Op de bijstand waren nog geen bedragen in mindering gebracht in verband met inkomsten uit freelance werkzaamheden die appellante als docent creatief dans en theater vanaf januari 2010 verrichtte bij verschillende basisscholen in Amsterdam en die zij in juli 2010 heeft gefactureerd.

1.2.

Naar aanleiding van informatie van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen dat de hoogte van de WW-uitkering van appellante per uitkeringsperiode wisselt in verband met inkomsten uit freelance werkzaamheden, heeft het college appellante bij brief van 20 augustus 2010 verzocht om - onder meer - gegevens over die inkomsten te verstrekken. In reactie op dit verzoek heeft appellante bij brief van 26 augustus 2010 onder meer drie ‘overeenkomsten over de inkoop van diensten’ ingezonden, betrekking hebbend op de periode van januari 2010 tot en met januari 2011, en ook drie facturen, tot een totaalbedrag van € 7.790,-, die betrekking hebben op werkzaamheden die appellante heeft verricht in de periode van januari tot en met juni 2010.

1.3.

Bij besluit van 3 januari 2011 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2010 ingetrokken op de grond dat zij als zelfstandige voldoende inkomsten heeft om de kosten voor haar dagelijks levensonderhoud zelf te betalen.

1.4.

Bij besluit van 21 januari 2011 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2010 ingetrokken, de bijstand over de maanden juli en augustus 2010 herzien en de kosten van de over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2010 ten onrechte of te veel verleende bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 6.208,99 netto. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de WW-uitkering van appellante nog niet volledig was verrekend met de bijstand en dat de inkomsten uit de door appellante verrichte freelance werkzaamheden nog in het geheel niet waren verrekend met de bijstand. Het ontstaan van de vordering wordt niet verwijtbaar geacht.

1.5.

Hangende de tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaren heeft het college appellante diverse malen verzocht nadere informatie te verstrekken over haar in 2010 verworven inkomsten uit freelance werkzaamheden. Appellante heeft in reactie daarop onder meer haar belastingaangifte over 2010 overgelegd. Bij deze aangifte heeft appellante aanspraak gemaakt op zelfstandigenaftrek. In de bij de belastingaangifte gevoegde jaarcijfers over 2010 is opgenomen dat appellante een omzet had van € 12.030,- en dat haar (bedrijfs)kosten in totaal € 7.013,- bedroegen, waarvan € 5.639,- telefoon- en internetkosten.

1.6.

Appellante heeft zich op 20 januari 2011 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Naar aanleiding van deze melding heeft het college appellante bij brief van 26 januari 2011 verzocht nadere informatie te verstrekken, onder meer een overzicht van de door haar vanaf

1 november 2010 gewerkte freelance-uren en “een (geschatte) opgave van de uren die u gemiddeld per maand besteedt aan voorbereiding en administratie voor uw freelance werkzaamheden”. Na haar aanvraag om bijstand op 17 februari 2011 te hebben ingediend, heeft appellante deze gegevens op 22 februari 2011 verstrekt.

1.7.

Bij besluit van 22 februari 2011 (besluit 3) heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellante voor de WWB wordt aangemerkt als zelfstandige.

1.8.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 1 maart 2011 (bestreden besluit 1 en 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij besluit van 29 maart 2011 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten 1 tot en met 3 heeft het college, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellante zelfstandige is in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) en om die reden geen recht op bijstand heeft op grond van de WWB.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraken. Zij heeft in hoofdzaak aangevoerd dat zij per jaar minder dan 1.225 uur freelance werkzaamheden verricht en dus geen zelfstandige is in de zin van het Bbz 2004. Appellante wijst er in dit verband op dat uit een bij de hoger beroepschriften gevoegd overzicht van gewerkte uren in 2010, zijnde een specificatie van haar facturen, blijkt dat zij in 2010 in totaal 225 uur en

15

minuten heeft gewerkt. Voorts heeft appellante erop gewezen dat de Belastingdienst haar ook niet als zelfstandige heeft aangemerkt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De te beoordelen perioden lopen van 1 januari 2010 tot en met 3 januari 2011 en van

20 januari 2011 tot en met 22 februari 2011.

4.1.

In het Bbz 2004 zijn regels gesteld voor het verlenen van bijstand aan zelfstandigen. Om als zelfstandige te kunnen worden beschouwd, moet zijn voldaan aan de criteria van artikel 1, onder b, van het Bbz 2004. Voldoet de betrokkene aan deze criteria, dan brengt dit mee dat hij slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van het Bbz 2004 aanspraak kan maken op bijstand. Dit houdt tevens in dat de betrokkene geen recht heeft op algemene bijstand ingevolge de WWB.

4.2.

Eén van de in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 neergelegde eisen waaraan de betrokkene moet voldoen om als zelfstandige te kunnen worden beschouwd, is dat hij voldoet aan het urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze urennorm ter zake van het met de onderneming gemoeide tijdsbeslag is vastgesteld op 1.225 uren per kalenderjaar.

4.3.

Op het ‘overzicht van de gewerkte uren vanaf 1 november 2010 tot 1 maart 2011’ dat appellante in reactie op het in 1.6 genoemde verzoek van 26 januari 2011 aan het college heeft verstrekt, heeft zij het volgende vermeld:

“Geschatte opgave van de uren die ik per maand besteed aan voorbereiding/administratie van mijn freelance werkzaamheden

Opdrachten werven 8 dagen per maand = 64 uren

Voorbereidingen 80 uur

Administratie 40 uur.”

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8498) behoren acquisitiewerkzaamheden tot de normale (voorbereidings)activiteiten van een zelfstandige en worden dergelijke acquisitiewerkzaamheden in het maatschappelijk verkeer aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. In aanmerking genomen dat voorbereidings- en administratiewerkzaamheden eveneens moeten worden aangemerkt als normale activiteiten van een zelfstandige, komt appellante - nog los van de door haar feitelijk gewerkte uren - met haar opgave van het geschatte aantal uren dat zij maandelijks in de betreffende periode besteedt aan opdrachten verwerven - acquisitie -, voorbereiding en administratie al uit op een urenaantal dat op jaarbasis het aantal van 1.225 uur ruimschoots overstijgt.

4.5.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals zij ter zitting heeft betoogd, haar opgave van het geschatte aantal uren voor acquisitie, voorbereiding en administratie niet een schatting van de feitelijk aan die activiteiten bestede uren is, maar (slechts) een theoretische schatting, die verband hield met de wens haar freelance werkzaamheden uit te breiden. Dit blijkt in ieder geval niet uit de opgave zelf, waarin appellante spreekt over de uren die zij aan haar werkzaamheden besteedt. Bovendien is het, gezien de hoogte van het in de jaarcijfers opgevoerde bedrag aan telefoon- en internetkosten, reëel om te veronderstellen dat appellante buiten de door haar gefactureerde uren nog een aanzienlijk aantal uren heeft besteed aan de hiervoor genoemde activiteiten. Weliswaar heeft appellante volgens het bij de hoger beroepschriften gevoegde overzicht van gewerkte uren over de periode van 16 januari 2010 tot en met 26 november 2010 ook voorbereidingsuren gefactureerd, maar, zo heeft de Raad begrepen, dit zijn niet alle uren die appellante heeft besteed aan de voorbereiding van haar feitelijke freelance werkzaamheden. Dat de Belastingdienst uiteindelijk de claim van appellante op zelfstandigenaftrek over 2010 niet heeft gehonoreerd, doet er niet aan af dat appellante volgens haar eigen opgaven wel aan het urencriterium voldoet.

4.6.

Aangezien niet in geschil is dat appellante ook aan de andere twee in artikel 1, onder b, van het Bbz 2004 neergelegde eisen voldoet, heeft het college appellante terecht aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

ew