Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
13-1305 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen informatie te verstrekken over de herkomst van het in zijn woning aangetroffen contante geld, waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1305 WWB

Datum uitspraak: 27 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

29 januari 2013, 12/861 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.J.J. Bodewes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2014. Namens appellant is

mr. Bodewes verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 7 januari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2011 ingetrokken. Appellant ontvangt met ingang van 6 januari 2012 wederom bijstand op grond van de WWB.

1.2.

Naar aanleiding van een mededeling van de politie Groningen dat appellant op

15 september 2011 was aangehouden in verband met drugshandel en dat in de woning van appellant veel contant geld, ongeveer € 22.000,-, was aangetroffen, heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen appellant op 8 februari 2012 gehoord. Een medewerker van de gemeente Hoogezand-Sappemeer heeft vervolgens de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand onderzocht. In dat kader is dossieronderzoek gedaan en zijn de onderzoeksgegevens van de politie, waaronder getuigenverklaringen, geraadpleegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 9 mei 2012.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 9 mei 2012 de bijstand over de periode van 7 januari 2010 tot en met 31 augustus 2011 (periode in geding) herzien en de kosten van te veel aan appellant verleende bijstand over die periode tot een bedrag van € 22.137,21 van hem teruggevorderd. Tevens heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2012 voor de duur van een maand met 100% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant, gelet op het bij zijn aanhouding in verband met een vermoeden van drugshandel in zijn woning aangetroffen geldbedrag, in de periode in geding naast zijn bijstandsuitkering inkomen en/of vermogen, in ieder geval tot een bedrag van

€ 22.137,21, moet hebben gehad of hebben verkregen, waarvan hij het college geen mededeling heeft gedaan. Het recht op een volledige bijstandsuitkering in die periode is niet vast te stellen omdat appellant het college niet geeft geïnformeerd over de herkomst van de middelen en het moment waarop hij deze ontving.

1.4.

Bij besluit van 20 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het teruggevorderde bedrag verlaagd tot € 21.917,21, zijnde het bedrag dat volgens het vonnis van de rechtbank in de strafzaak in de woning van appellant in beslag is genomen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen over de herkomst van het aangetroffen bedrag, zodat het recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant betwist dat hij in de periode in geding de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het in zijn woning aangetroffen geldbedrag had hij op 15 september 2011 slechts enkele dagen in bewaring voor een derde. Appellant betwist dat hij inkomsten heeft verkregen uit drugshandel. Verder betwist appellant de hoogte van het in beslag genomen geldbedrag en stelt dat een bedrag van € 20.917,21 in beslag is genomen, zodat het terugvorderingsbedrag verder beperkt dient te worden. Ook ziet appellant in de verbeurdverklaring van het aangetroffen geldbedrag tot een bedrag van € 18.140,- grond om het bedrag van terugvordering verder te matigen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad begrijpt het bestreden besluit, zoals in hoger beroep nader is toegelicht door het college, aldus dat de bijstand van appellant over de periode in geding is ingetrokken op de grond dat appellant, door geen informatie te verstrekken over de herkomst van het in zijn woning aangetroffen contante geld, de inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Daarbij stelt het college dat appellant met de beperking van het terug te vorderen bedrag tot het inbeslaggenomen bedrag, niet tekort is gedaan.

4.2.

Appellant betwist niet dat hij aan het college geen opgave heeft gedaan van het op

15 september 2011 in zijn woning aangetroffen geldbedrag van ruim € 20.000,-. Het gaat hier om een aanzienlijk bedrag aan contant geld, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van invloed kan zijn op zijn recht op bijstand. Gelet op de omvang van dit bedrag kan dit ook van invloed zijn op het recht op bijstand in de daaraan voorafgaande periode. Dit betekent dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.1.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert of heeft verkeerd in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3.2.

Het betoog van appellant dat het aangetroffen geldbedrag om verschillende redenen niet van invloed is op zijn recht op bijstand in de te beoordelen periode, zodat hij in de periode in geding onverminderd recht heeft op bijstand, kan niet worden gevolgd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in beslaggenomen geld niet van hem, maar van een derde was. Hij heeft deze stelling op geen enkele wijze met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Daarbij komt dat appellant niet eenduidig heeft verklaard over de herkomst van het geld. Appellant heeft tijdens de procedure bij het gerechtshof in de strafzaak namelijk verklaard dat - anders dan zijn stelling thans in hoger beroep dat hij het aangetroffen geld voor een derde in bewaring had - het aangetroffen geld bestemd was voor een door hem op te starten bedrijf. Ook bij die gelegenheid heeft appellant geen nadere verklaring over de herkomst van dit geld willen geven. Verder volgt uit de processen-verbaal van inbeslagname dat op verschillende plaatsen in de woning van appellant geldbedragen in beslag zijn genomen. Dit betekent dat de herkomst, het moment van verkrijgen en de omvang van de door appellant ontvangen geldbedragen onbekend is gebleven.

4.3.3.

Door de schending van de inlichtingenverplichting kan, mede gelet op de omvang van het op 15 september 2011 inbeslaggenomen geldbedrag, het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of appellant in de periode in geding in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.4.1.

Uit het voorgaande volgt dat het college bevoegd was de bijstand over de periode in geding in te trekken. Tegen de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.4.2.

Uit 4.4.1 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de over de gehele periode in geding ten onrechte verleende bijstand (een bedrag van

€ 24.552,36). Gelet hierop is appellant met de beperking van het terug te vorderen bedrag tot het in het vonnis van de strafrechter vastgestelde in beslaggenomen geldbedrag niet te kort gedaan. Om die reden zal de Raad de grond over de exacte hoogte van het in beslag genomen bedrag onbesproken laten.

4.4.3.

De grond dat appellant met de verbeurdverklaring van een deel van het in beslaggenomen geldbedrag tot een bedrag van € 18.140,- tweemaal dit bedrag zou moeten betalen, wordt niet onderschreven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door het gerechtshof in de strafzaak uitgesproken verbeurdverklaring niet in de weg staat aan een terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering. Zoals de Raad eerder heeft overwogen ten aanzien van de vaststelling door de strafrechter van een wederrechtelijk genoten voordeel (uitspraken van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2811 en
10 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0131), kan ook (de hoogte van) het verbeurd verklaarde bedrag niet van invloed zijn op de hoogte van het in een bestuursrechtelijke procedure terug te vorderen bedrag.

4.5.

Tegen de opgelegde maatregel heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.F. Claessens en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2104.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

ew