Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
13-40 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1)Afwijzing aanvraag werkleeraanbod. 2)Weigering WIJ-inkomensvoorziening. Niet voldaan aan de verplichting om mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling en mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Uit houding en gedragingen van de jongere blijkt dat deze de verplichtingen niet wil nakomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/40 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

19 november 2012, 12/869 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 27 mei 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2014. Namens appellant is verschenen mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren op 17 februari 1985, heeft na de beëindiging van een kortdurende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, op 26 september 2011 een aanvraag gedaan om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ).

1.2.

Bij besluit van 25 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 januari 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om een werkleeraanbod afgewezen en voorts geweigerd appellant een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant niet, zoals verzocht, vóór 24 oktober 2011 een aangepast curriculum vitae (cv) heeft toegezonden aan zijn klantmanager en op laatstgenoemde datum zonder bericht niet is verschenen op een sollicitatiebijeenkomst bij [naam bedrijf]. Gelet op deze gedragingen heeft appellant volgens het college niet voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 45, aanhef en onder a, van de WIJ, zodat aan hem geen werkleeraanbod wordt gedaan en de inkomensvoorziening wordt geweigerd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de WIJ doet het college aan de jongere geen werkaanbod indien en zolang de jongere niet voldoet aan de verplichting bedoeld in

artikel 45, onderdeel a van de WIJ.

4.2.

Ingevolge artikel 45 van de WIJ is de jongere verplicht:

a. mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

(…)

d. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling.

4.3.

De klantmanager, die begin oktober 2011 ook een gesprek met appellant heeft gevoerd om te komen tot een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling, heeft op 18 oktober 2011 opnieuw met hem gesproken. Aan appellant is die dag verzocht om vóór 24 oktober 2011 zijn cv aan te passen. Appellant diende de door hem in 2009 gevolgde, maar voortijdig afgebroken, opleiding en de door hem vanaf 2006 in vier verschillende dienstverbanden verrichte werkzaamheden nader te concretiseren in een aangepast cv. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is het niet voldoen aan dit verzoek aan te merken als het weigeren mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling. Dat appellant al eerder een cv had ingeleverd, doet daaraan niet af. Het college kon zich, in navolging van de klantmanager, redelijkerwijs op het standpunt stellen dat de door de klantmanager verlangde informatie nodig was voor het opstellen van een deugdelijk plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het feit dat hij niet is verschenen op de bijeenkomst bij [naam bedrijf] hem niet kan worden aangerekend, omdat hij niet in het bezit was van een geldige verblijfstitel en daar dan ook niet direct kon gaan werken. Bovendien valt deze gedraging, als hem wel een verwijt treft, onder artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ en niet onder artikel 45, aanhef en onder a, van de WIJ.

4.5.

Appellant heeft in het eerste gesprek met de klantmanager te kennen gegeven dat hij geen opleiding meer wilde volgen, maar wilde gaan werken. Appellant is vervolgens na het tweede gesprek via bemiddeling van de klantmanager op een intakegesprek geweest bij uitzendbureau Tempo Team. Tempo Team heeft appellant daarna verwezen naar een sollicitatiebijeenkomst bij inlener [naam bedrijf]. Het niet verschijnen op de sollicitatiebijeenkomst bij [naam bedrijf] valt appellant te verwijten. Uit de kopie van de verblijfsvergunning, die appellant op de hoorzitting in bezwaar heeft overgelegd, blijkt dat de verblijfstitel op 5 oktober 2011 is afgegeven, zodat daarin geen belemmering voor hem was gelegen om op korte termijn aan het werk te gaan. Maar ook als er in dat opzicht wel een belemmering zou zijn geweest, was dat geen reden voor appellant om niet naar de sollicitatiebijeenkomst bij [naam bedrijf] te gaan. Hij had dan daar de situatie kunnen bespreken en daarover ook contact moeten opnemen met Tempo Team, dan wel met zijn klantmanager. Het college heeft appellant verder kunnen aanrekenen dat hij ook nadien niets meer van zich liet horen en zich voor Tempo Team onbereikbaar hield. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in dit opzicht verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Concrete activiteiten en werkzaamheden, gericht op arbeidsinschakeling, als omschreven in de in artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ genoemde verplichting, waren, anders dan appellant meent, nog niet aan de orde.

4.6.

Uit 4.3 en 4.5 volgt dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting om mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling en mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, zodat het college op goede gronden met toepassing van artikel 17, vijfde lid, van de WIJ heeft geweigerd appellant een werkleeraanbod te doen.

4.7.

Appellant heeft er nog op gewezen dat uit de Memorie van Toelichting op artikel 17, vijfde lid, van de WIJ (Kamerstukken II, 2008/09, 31 775, nr 3, blz. 39-40) blijkt dat, zodra de jongere bereid is om mee te werken aan het opstellen van een plan, het college hem alsnog een werkleeraanbod dient te doen. Reeds omdat appellant niet voordat het primaire besluit was genomen, had laten blijken alsnog te willen meewerken, kon het college weigeren appellant een werkleeraanbod te doen. Overigens heeft het college zorgvuldig gehandeld door in het besluit van 25 oktober 2011 op te nemen dat, indien er iets mocht veranderen in de situatie van appellant, het college zal onderzoeken of op dat moment wel een werkleeraanbod kan worden gedaan. Appellant heeft in dit opzicht evenwel geen actie ondernomen.

4.8.

In artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ is bepaald dat geen recht op een inkomensvoorziening bestaat, voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de houding en de gedragingen van appellant ondubbelzinnig blijkt dat hij niet wilde voldoen aan de in artikel 45, aanhef en onder a, van de WIJ omschreven verplichting. Juist het zonder enige reactie wegblijven bij de [naam bedrijf] en het zich daarna onbereikbaar houden heeft het college appellant zwaar mogen aanrekenen.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD