Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
12-6535 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire straf. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De lengte van het dienstverband en de positieve beoordeling van het functioneren van appellant in 2010 leiden niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6535 AW

Datum uitspraak: 22 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

30 oktober 2012, 12/387 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de rechtbank Breda (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.C. Lenaerts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lenaerts. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Cruijningen en M.J. Bosman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 oktober 1983 werkzaam bij de [naam werkgever], laatstelijk in de functie van [naam functie 1].

1.2. Aan appellant is bij besluit van 8 maart 2010 een ernstige waarschuwing gegeven wegens het tijdens diensttijd contact zoeken met een bezoekster van de rechtbank, die als verdachte diende te verschijnen in een strafzaak. Daarbij is aan appellant medegedeeld dat tot het opleggen van een (ernstige) disciplinaire maatregel wordt overgegaan, als hij zich binnen twee jaar aan een dergelijk of ander verwijtbaar gedrag schuldig maakt.

1.3. Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het bestuur bij besluit van 16 augustus 2011 aan appellant onvoorwaardelijk strafontslag verleend op grond van artikel 80, eerste en tweede lid, en 81, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, omdat hij bewust heeft nagelaten de piketdienst te vervullen in het weekeinde van 29 juli 2011, na de reguliere werktijd, tot en met 1 augustus 2011, waardoor een veiligheidsrisico voor de rechtbank ontstond. Appellant heeft voorts een collega gevraagd de bereikbaarheids- en beschikbaarheidsuren, die normaal gesproken aan de piketdienst verbonden zijn, in de zogenoemde p-portal te registreren als ware de dienst daadwerkelijk uitgevoerd, wat als ernstige fraude is aan te merken.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 augustus 2011. Naar aanleiding van dit bezwaar is nader onderzoek verricht, hetgeen bestond uit het (opnieuw) horen van een aantal medewerkers, waarvan verslagen zijn opgemaakt. Appellant heeft een reactie gegeven op deze verslagen. Het bestuur heeft vervolgens bij besluit van 23 december 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Ingevolge artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan als disciplinaire straf worden opgelegd: ontslag.

3.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij pas achteraf heeft kunnen reageren op de aanvullende verklaringen die in bezwaar zijn afgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het betreft aanvullende verklaringen over de gedragingen die reeds in het voornemen tot het opleggen van het strafontslag zijn omschreven. De verklaringen zijn aan appellant toegezonden, waarbij hem de gelegenheid is geboden om daarop te reageren. Ook tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellant zijn standpunt hierover naar voren kunnen brengen.

3.3.

Op basis van de gedingstukken wordt geconcludeerd dat appellant, anders dan hij heeft betoogd, bewust heeft nagelaten om de piketdienst te verrichten. Hierbij is van betekenis dat door de leidinggevende en collega’s gedetailleerde en eensluidende verklaringen zijn afgelegd over gesprekken die met appellant over de piketdienst zijn gevoerd. Op basis van deze verklaringen kan worden geconcludeerd dat appellant, zeer kort voor het weekeinde waarin de piketdienst diende te worden vervuld, namelijk op vrijdagmiddag 29 juli 2011, bekend bleek te zijn met de verplichting tot het verrichten van deze piketdienst. Collega P, [naam functie 2], heeft namelijk verklaard dat hij op vrijdagmiddag 29 juli 2011 met appellant over de piketdienst heeft gesproken. Collega T heeft verklaard dat hij het gesprek tussen P en appellant heeft opgevangen en hij heeft de verklaring van P bevestigd. Voorts heeft leidinggevende B een verklaring afgelegd. Hij heeft op woensdagmiddag 3 augustus 2011 aan appellant gevraagd of hij wist dat hij het afgelopen weekend dienst had moeten draaien. Volgens B bevestigde appellant dit en heeft hij gezegd dat hij er op de vrijdag ervoor nog door collega P op was aangesproken, maar het was vergeten. Dat appellant, zoals hij heeft betoogd, door privéomstandigheden was vergeten om de piketdienst te vervullen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft deze privéomstandigheden niet met nadere gegevens onderbouwd. Bovendien heeft hij tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren gebracht dat hij de dienst niet had vervuld, omdat hij dacht dat een andere medewerker de dienst zou draaien.

3.4.

De gedingstukken bieden eveneens voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant een collega heeft gevraagd de bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdiensten, die aan de piketdienst verbonden zijn, in de p-portal te registreren, als ware de dienst daadwerkelijk uitgevoerd. Niet in geschil is dat appellant het urenbriefje op donderdag 28 juli 2011 bij collega H heeft ingeleverd met de bedoeling om de piketdienst van het daaropvolgende weekend in de p-portal te laten registreren. Omdat deze registratie niet lukte, heeft H het urenbriefje aan appellant teruggegeven. Na het weekend heeft appellant het briefje weer ter registratie aan H gegeven, hoewel hij de piketdienst niet had vervuld. Verder heeft collega O verklaard dat appellant op maandagochtend 1 augustus 2011 tegen hem heeft gezegd: ‘ik ga toch declareren, want dan komt niemand er achter dat ik de piketdienst niet heb gedraaid’. Ook is van betekenis dat leidinggevende B heeft verklaard dat hij op woensdagmiddag aan appellant heeft gevraagd of hij wist dat collega H de uren die hij niet had gedraaid in de

p-portal had gedeclareerd. Volgens B heeft appellant daarop geantwoord: ‘ja, dat weet ik’. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, tijdens het gesprek met B heeft meegedeeld dat hij geen aanspraak wenste te maken op vergoedingen waarop hij geen recht heeft, kan hem niet baten. Hij heeft die mededeling immers niet uit eigen beweging gedaan, maar pas nadat hij ermee was geconfronteerd dat de declaratie voor de piketdienst was afgekeurd.

3.5.

Het bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zelf verantwoordelijk is voor de urenverantwoording in de p-portal. Dat hij deze urenverantwoording liet uitvoeren door collega H door haar een urenbriefje te verstrekken om in de p-portal in te voeren en dat hij op maandagochtend 1 augustus 2011 met collega H over het niet verrichten van de piketdienst heeft gesproken, doet aan deze verantwoordelijkheid niet af.

3.6.

Gelet op hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen wordt geconcludeerd dat appellant zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat die gedragingen niet ten volle aan appellant kunnen worden toegerekend, was het bestuur bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

3.7.

Het betoog van appellant dat, indien plichtsverzuim wordt aangenomen, de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim, wordt niet gevolgd. Hierbij is van belang dat aan appellant bij besluit van 8 maart 2010 een ernstige waarschuwing is gegeven en hem daarbij is medegedeeld dat tot het opleggen van een (ernstige) disciplinaire maatregel wordt overgegaan, als hij zich binnen twee jaar aan een dergelijk of ander verwijtbaar gedrag schuldig maakt. De lengte van het dienstverband en de positieve beoordeling van het functioneren van appellant in 2010 leiden niet tot een ander oordeel.

4.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) B. Rikhof

HD