Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
12-2169 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1442) heeft de minister het bestreden besluit voorzien van een nadere motivering. Functiebeschrijving. Functiewaardering. Inschaling. Aannemelijk gemaakt dat het functioneren van appellant niet binnen het bereik van de functie in schaal 10 is gekomen. Geen redenen naar voren gekomen waarom appellant, niettegenstaande zijn grotendeels werkzaam zijn conform de beschrijving van de functie in schaal 9, in de functie in schaal 10 had moeten worden ingepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2169 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van

7 maart 2012, 10/4160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Verkeer en Waterstaat, thans: de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen een tussenuitspraak gedaan op 23 mei 2013, 12/2169 AW-T, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1442.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de minister bij brief van 1 augustus 2013 zijn besluit van 26 mei 2010 (bestreden besluit) voorzien van een nadere motivering.

Appellant heeft een schriftelijke reactie gegeven. De minister heeft daarop gereageerd.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 10 april 2014. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. drs. Chr.J.M. Scheen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. van Wely, F.P.L. Schouwaert en J.A. Remijn-Massa.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

2.

Ter verkrijging van een inventarisatie van de werkzaamheden van appellant zoals in de tussenuitspraak bedoeld, heeft de minister onderzoek laten verrichten door het Expertisecentrum Organisatie en Personeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Expertisecentrum). De inschakeling van het Expertisecentrum had, zo heeft de minister toegelicht, ten doel de objectiviteit te waarborgen. Niettemin heeft appellant zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. Dit valt te betreuren, te meer nu in deze zaak sprake is van een peildatum - 1 januari 2008 - uit een alweer wat verder verleden, wat verkrijging van een juist en volledig beeld natuurlijk niet gemakkelijker maakte. Voor zover de weigerachtigheid van appellant ertoe heeft geleid dat in de rapportage van het Expertisecentrum onjuistheden terecht zijn gekomen, valt dit de minister niet aan te rekenen. Appellant heeft wel een schriftelijke reactie op die rapportage gegeven en heeft ook ter zitting van de Raad zijn standpunt nader toegelicht. Zou echter gelden dat die toelichtingen achteraf niet alle eventuele onduidelijkheden hebben kunnen wegnemen, dan dient dit voor rekening en risico van appellant te blijven.

3.

De definitieve beschrijvingen van de inspectiefuncties op het niveau van de

schalen 9 en 10, zoals die zijn opgenomen in het rapport van 1 november 2007, maken duidelijk welke aspecten van de in schaal 10 ingedeelde functie specifiek zijn voor die functie en dus ontbreken in de functie in schaal 9. Het Expertisecentrum heeft daarnaast gebruik gemaakt van een aanvulling van 14 november 2007 op het genoemde rapport, waarin nader is toegelicht welke taken behoren tot de functie in schaal 9. Uitgaande van deze informatie, is de minister er in geslaagd aannemelijk te maken dat de werkzaamheden van appellant ten tijde van belang nagenoeg uitsluitend behoorden tot laatstgenoemde functie. Uit de bevindingen van het Expertisecentrum blijkt dat appellant niet vaker dan één keer, in het project zandcementvloeren, de rol van projectleider heeft vervuld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daarnaast in een aantal andere projecten is opgetreden als, in zijn eigen bewoordingen, medeprojectleider. De minister heeft dit uitdrukkelijk weersproken en de door appellant overgelegde stukken en verklaringen bevestigen zijn lezing niet, in tegendeel. Activiteiten als het organiseren van een symposium zijn niet met het leiden van een project op één lijn te stellen. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk weten te maken dat zijn taakuitvoering conform de beschrijving van de functie in schaal 10 is geweest. Opgemerkt wordt daarbij dat het verschil tussen de twee functies op punten als de “oog- en oorfunctie” eerder een verschil in inzicht behelst dan een verschil in de feitelijke taken. Dat heeft het maken van het in de tussenuitspraak bedoelde onderscheid tussen het in dit geding aan de orde zijnde traject en het normatief beoordelen van het functioneren van appellant niet eenvoudiger gemaakt, maar de minister is thans in voldoende mate in het maken van dat onderscheid geslaagd. Ook op de meer op inzicht gebaseerde onderdelen is aannemelijk geworden dat het functioneren van appellant niet binnen het bereik van de functie in schaal 10 is gekomen.

4.

Dat appellant in een andere unit werkzaam was dan verondersteld door het Expertisecentrum, kan het overwogene onder 3 niet anders maken. Nu de werkzaamheden van appellant, afgezien van zijn eenmalig optreden als projectleider, zijn te vatten onder de beschrijving van de functie in schaal 9, houdt de inpassing in die functie in rechte stand. In het bedoelde eenmalige leiden van een project is onvoldoende reden gelegen voor een ander oordeel. Ook anderszins zijn geen redenen naar voren gekomen waarom appellant, niettegenstaande zijn grotendeels werkzaam zijn conform de beschrijving van de functie in schaal 9, in de functie in schaal 10 had moeten worden ingepast.

5.

Het overwogene in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met het overwogene in deze uitspraak, leidt tot de volgende uitkomst. Uit de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Ook dit besluit moet daarom, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, worden vernietigd. Nu uit deze uitspraak volgt dat het gebrek in de motivering van het bestreden besluit is hersteld en het bestreden besluit nu berust op een toereikende grondslag, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

6.

Er is aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 2.435,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 26 mei 2010 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 2.435,- aan kosten van rechtsbijstand;

- bepaalt dat de minister appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van in totaal € 232,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2014.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) J.T.P. Pot

HD