Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
13-897 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/897 WWB

Datum uitspraak: 20 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

10 januari 2013, 12/2324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Glas. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving, voor zover van belang, vanaf 5 mei 2009 tot en met 31 december 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf 18 december 2008 staat appellant in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het [adres 1] (uitkeringsadres). Hij heeft twee kinderen met[naam 1]. Zij ontving sinds 1 november 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande en staat sinds 1 januari 2004 in de GBA ingeschreven op het adres[adres 2]. Beiden ontvingen in verband met het co-ouderschap met ingang van 1 maart 2010 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder (50%) en naar de norm voor een alleenstaande (50%).

1.2. Naar aanleiding van een melding op 15 augustus 2010 dat[naam 1] bij appellant woont en haar woning op de[adres 2] heeft onderverhuurd, is een vooronderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en[naam 1] verleende bijstand. Door de bevindingen van het vooronderzoek is bij het college het vermoeden ontstaan dat appellant alsmede[naam 1] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Hierop is het onderzoek overgedragen aan het Bureau Handhaving van de Afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen (sociale recherche).

1.3. De sociale recherche heeft onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht, diverse instanties, waaronder [woningbouwvereniging] en de Belastingdienst, om inlichtingen verzocht, appellant en[naam 1] verhoord alsmede diverse buurtbewoners en andere getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 juli 2011.

1.4. Op grond van de onderzoeksbevindingen als bedoeld in 1.3 heeft het college bij besluit van 20 juli 2011 de bijstand van appellant met ingang van 5 mei 2009 ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.086,73 van appellant teruggevorderd. Voorts heeft het college de ten onrechte gemaakte kosten van de aan[naam 1] vanaf 18 december 2008 verleende bijstand ten bedrage van € 22.768,28 mede van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 13 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant sinds 18 december 2008 met[naam 1] een gezamenlijke huishouding voert en daarvan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan aan het college.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant en[naam 1] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt wat betreft de intrekking en de terugvordering van de bijstand van appellant van 5 mei 2009 tot en met 31 december 2010 en wat betreft de

medeterugvordering van 18 december 2008 tot en met 5 juli 2011.

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.3.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellant en[naam 1] twee kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en[naam 1] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4.

Appellant en[naam 1] stonden ten tijde van belang op verschillende adressen ingeschreven in de GBA. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient evenwel te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat[naam 1] gedurende de te beoordelen periode haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres.

4.5.1.

Hierbij wordt in het bijzonder betekenis gehecht aan de verklaringen die appellant en[naam 1] tijdens het tweede verhoor tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Op de vraag of[naam 1] nog eens heeft nagedacht over wat haar is voorgehouden, heeft zij geantwoord: “Ik kan daarop zeggen dat ik het merendeel van de tijd heb samengewoond met [naam 2]. Dat is wel zo, maar ik voel dat niet zo”. Hiermee geconfronteerd heeft appellant vervolgens verklaard: “Het klopt wat[naam 3] zegt. Wij verblijven het merendeel van de tijd bij elkaar. Dit is al zo sinds [naam 3] terug is gekomen van haar ouders in[plaats] op

01 januari 2004”. Voorts is appellant voorgehouden dat diverse getuigen op verschillende adressen verklaren dat hij en[naam 1] een stel zijn die samenwonen en dat er tussen hen veel ruzie is waar regelmatig de politie bij gehaald is. Hierop heeft appellant gereageerd: “Ik begrijp dat zij ons zien als een stel en ons kennen. Wij hebben inderdaad veel ruzie en zijn het merendeel van de tijd bij elkaar”. Ten slotte is appellant voorgehouden dat wanneer er sprake is van erkende kinderen het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning voldoende is voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Hierop heeft appellant gereageerd: “Ik wist dat niet, ik heb er ook niet geheimzinnig over gedaan. Wij hebben dit voor de kinderen gedaan. Ik wil de kinderen zo vaak zien als ik wil en [naam 3] wil de kinderen ook zo vaak zien als zij wil”.

4.5.2.

De verklaringen van appellant en[naam 1] worden ondersteund door getuigenverklaringen van buurtbewoners in zowel de omgeving van het uitkeringsadres als de omgeving van het adres waarop[naam 1] in de GBA stond ingeschreven. Deze getuigenverklaringen kennen, anders dan door appellant is betoogd, een deugdelijke feitelijke onderbouwing. Getuige [naam getuige 1] is sinds 17 maart 1999 woonachtig op het adres [adres 3]. Hij kent iedereen in de straat en heeft een goed beeld van wie er wonen. Hij is sinds twee jaar met pensioen en is meer thuis dan dat hij weg is. Hij herkent appellant en[naam 1] aan de hand van de aan hem getoonde foto’s als buurman en buurvrouw. Zij wonen hier sinds 2008, aldus [naam getuige 1]. Vanaf het begin zag hij de buurvrouw klussen in huis. Hij verklaart dat appellant en[naam 1] hier vanaf het begin met hun twee kinderen wonen, ondanks dat appellant hier alleen zou komen wonen. De ouders van[naam 1] komen ook regelmatig op bezoek. Getuige[naam getuige 2] is sinds 2004 woonachtig op het adres [adres 4]. Hij herkent appellant en[naam 1] als zijn directe buren. Hij verklaard dat appellant hier alleen zou komen wonen, maar dat[naam 1] er vanaf het begin eigenlijk ook al woont. De buren hebben dagelijks ruzie. Dat hoort hij als hij thuis zit. De twee kinderen wonen er ook. Zover hij weet zijn zij hier komen wonen als gezin. Hij is alle dagen thuis en heeft een goed beeld van de mensen die in de straat wonen. Volgens getuige [naam getuige 3], die appellant en[naam 1] ook aan de hand van de hem getoonde foto’s als overburen herkent, wonen zij daar al sinds hij in april 2009 in de [straat] is komen wonen op [nummer 1]. Hij verklaart dat ze als gezin op [nummer 2] woonachtig zijn. Dat weet hij doordat hij ze regelmatig ziet en hoort. Hij verklaart dat zijn overburen vaak heel hard ruzie maken. Uit de verklaringen van enkele omwonenden aan de [adres 5], te weten[naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7], komt voorts naar voren dat[naam 1] al jaren respectievelijk enige tijd niet meer op evengenoemd adres woonachtig is.

4.5.3.

De gegevens inzake het waterverbruik in de periode tussen 18 december 2008 tot

23 november 2010 kunnen ook als ondersteuning dienen voor het oordeel dat[naam 1] haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. In de periode van

18 november 2008 tot 12 november 2009 en de periode van 12 november 2009 tot

23 november 2010 was het verbruik op het uitkeringsadres 199 m³ respectievelijk 289 m³. Volgens het Nibud wordt voor een gezin bestaande uit drie personen een verbruik van 137 m³ en voor een gezin bestaande uit vier personen een verbruik 169 m³ gemiddeld geacht.

4.6.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het college terecht heeft aangenomen dat appellant en[naam 1] in de periode van 18 december 2008 tot en met 5 juli 2011 hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Appellant heeft in de periode van 5 mei 2009 tot en met

31 december 2010 in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting daarvan geen melding gemaakt aan het college met als gevolg dat aan appellant in die periode ten onrechte bijstand is verleend als zelfstandig subject van bijstand.

4.7.

De grond dat het college op de hoogte was van de woon- en leefsituatie van appellant en[naam 1] en in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door aan deze leefsituatie alsnog de kwalificatie van een gezamenlijke huishouding te geven, slaagt niet reeds omdat appellant niet aan het college heeft doorgegeven dat hij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met[naam 1].

4.8.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

ew